LITERATUUR, HET ANDERS ZIEN


een kijk op de territoriografie
van Sybren Polet
DIRK VOS

In het taalterritorium van Sybren Polet stuit de lezer voortdurend op ondertitels, notities, maksimen: wegwijzers door het literaire universum, onderschriften bij het beeld van de werkelijkheid of van de verbeelding dat in dit gewelf gestalte krijgt. De kreatieve kracht van het maksime ligt in het oningevulde, van het onderschrift in de te verwoorden relatie tussen tekst en beeld. Het behoort tot de uitdagingen van de lezer om deze kernachtige formuleringen binnen het kader van het totale werk te plaatsen. In het ontdekken van de spanningen tussen deze kernen en de kosmos kan hij de zin van Polets heelal achterhalen.
Tijdens eerdere beschouwingen over Polet heb ik reeds gewezen op het belang van de waarneming in de Lokiencyklus. (1) Het opzet van dit artikel is het fragmentarische beeld dat uit deze losse aantekeningen in de marge van een ander perspektief naar voren is gekomen, onder te brengen in een samenhangende visie op de betekenis van de blik als een van de hoofdmotieven in de Lokiencyklus. De aanleiding hiertoe vormt een notitie in Xpertise die als het ware een onderschrift vormt bij het reeds ontstane beeld: "Literatuur: het anders zien." "Anders-zien: (nog) niet weten hoe de werkelijkheid eruit ziet/is, als je haar door andere ogen ziet of zoals anderen haar zien: ieder zijn eigen werkelijkheid, myriaden werkelijkheden, met vele (ongetwijfeld) overeenkomsten, maar ook (vaak) met ingrijpende verschillen, realiteiten waarvan men niet toestaat dat ze naast elkaar of over elkaar of in elkaar bestaan:: / en hij, als schrijver, ziet ze in en naast en over elkaar, ziet ze iedere keer anders of ziet iedere keer andere werkelijkheden?" (2) Waar Polet in zijn spel met werkelijkheid en verbeelding ook het "zien" van de werkelijkheid tematiseert en de literatuur beschouwt
als het instrument tot de bevrijding uit een set van mentale gewoonten dringt een vergelijking met René MAGRITTE zich op. Wie kijkt eigent zich de werkelijkheid toe, behoort er principieel bij. In het zien is er een huwelijk tussen mijn blik en de dingen. "Le regard enveloppe, palpe, épouse les choses visibles," schrijft MERLEAU-PONTY (3). Door deze relatie wordt een territorium geschapen waarin ik onbedreigd bij mezelf aanwezig kan zijn en kan openstaan voor de dingen. Het zoeken naar een eigen territorium is een funktie van het zoeken naar een eigen identiteit. In deze zin wordt de blik verbonden met dit andere belangrijke motief in de Lokiencyklus: dit van de zoektocht naar de identiteit van individu zowel als van gemeen schap.
Wie waarneemt ordent en struktureert zijn omgeving. Hij maakt deze tot zijn woonplaats die hij naar believen kan inrichten. Daarmee bakent hij zich voor zichzelf een territorium af, een persoonlijke ruimte waarin de eigen gedachten- en gevoelswereld zich kan ontwikkelen, een privé-terrein waar het eigen lichaam thuis is. De ervaring van de blik van de ander is een ervaring van "gezien-zijn". De blik van de ander verwijst ons naar onszelf en naar ons eigen territorium. We worden er ons van bewust in de blik te worden geobserveerd. Dit is een ervaring van kwetsbaarheid: ik word gezien, ik word objekt, ik word in mijn eigenheid en op mijn territorium bedreigd. Kijken is de dingen, de ander tot objekt maken. Mijn kwetsbaarheid wordt schaamte. Schaamte is de erkenning van het feit dat ik werkelijk dat objekt ben dat door de ander gezien en benaderd wordt, terwijl ik niet over het gevoel van veiligheid beschik om de blik van de ander te verdragen. "Shame supposes that one is completely exposed and conscious of being looked at, in one word selfconscious. One is visible and not yet ready to be vi- sible." (4) De blik van de ander is een vijandige blik. Hij ontneemt me mijn territorium en mijn vrijheid. Meer zelfs: hij maakt een kant van mij zichtbaar die ik niet meester ben, die mij principieel ontgaat
omdat zij alleen voor de ander is. Aldus ontneemt de blik van de ander mij ook mijn transcendentie. In L'être et le néant ontwikkelt J.-P. SARTRE dit tema:
door zijn blik geeft de ander mij een zijn waarvoor ik absoluut verantwoordelijk ben, zonder dat ik er het fundament van ben. (5) Want de blik van de ander fikseert mij in mijn zijn, maakt mij tot een ding waarover hij macht verwerft.
In het Lokienopus van Sybren Polet eist de worsteling om het territorium zo sterk de aandacht op dat we kunnen spreken van "territoriografie". (6) Schrijven is de werkelijkheid gericht waarnemen, is haar anders zien, haar tot je territorium maken. De funktie van de territoriografie in de Lokienboeken is dubbel. Enerzijds is zij gericht op het zichtbaar maken van de geest van de maatschappij, wil zij de sociale realiteit beschrijven, en de uitdrukking zijn van de zoektocht naar identiteit van de gemeenschap. De waarneming zelf fungeert als techniek. De betekenis van de figuren Lokien, het psychoon en Kilo wordt hiermee eksemplarisch geduid als waarnemend bewustzijn. Zo is Lokien als vertellend bewustzijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de fokalisaties in het verhaal van Breekwater. De veranderingen in de stad Amsterdam worden gezien door de ogen van Lokien en het psychoon. Enzovoort. Anderzijds wordt het territorium ook verbonden met de zoektocht van het individu naar een eigen identiteit. In zoverre Lokien niet alleen een literaire funktie is maar als sociaal individu ook psychologisch enige body heeft, is de waarneming het instrument zelf waarmee het individu aan de sociale werkelijkheid kan participeren. De techniek van de waarneming geeft aan de Lokienboeken hun realistisch karakter. Het resultaat ervan hangt echter af van het perspektief waarin het zien geplaatst is.
De strijd om het territorium van het eigen bewustzijn, ingezet in Breekwater, wordt in Verboden Tijd gegrondvest in het verleden. In dit boek rekent Lokien (Minnie) af met de "bewustzijnsverkrachter" (7) die zijn broer Klooster was. Als kind immers ontnam Klooster
Minnie de kans om de privé-ruimte van het eigen lichaam uit te breiden tot een ruimere leefwereld waarin hij thuis kon zijn, een wereld waarin hij het recht had om over zichzelf te beschikken, waarin hij zich veilig en beschermd kon voelen. De dominante Klooster ontnam de jonge Minnie zijn psychische autonomie en zijn identiteit. In feite is Minnie/Lokien nooit echt los gekomen van de moederlijkheid en wordt hij later bij het verwerven van een eigen territorium en van relaties met de buitenwereld voortdurend door dit moeder- verlangen bepaald. In de kweeste naar een eigen bewustzijn, naar een eigen identiteit, gaat Lokien op reis. Reizen is het aanhoudend veranderen van omgeving op zoek naar een ruimte die vertrouwd overkomt, naar een schoot waarin men beschermd kan groeien. Deze baai waarin hij de tweeëenheid met de moeder kan ervaren, vindt Lokien in Herta, de vrouw van Klooster. In zijn vrijage met haar kan Lokien zijn identiteit vestigen. Deze krijgt gestalte in het konflikt met Klooster maar blijft getekend door de moeder. De gemeenschap met Herta is een vijandige reaktie gericht op de schending van Kloosters territorium. In de vernedering van zijn broer smaakt Lokien voor het eerst de macht van een eigen identiteit. In Kloosters bed en blikveld staat hij op.
Noteren we dat de reis als zoektocht naar identiteit ook een van de hoofdmotieven uit Xpertise is. Detektive Perdox gaat er in opdracht van de geheimzinnige 0. op zoek naar een potentiële misdadiger die uiteindelijk met hem samen blijkt te vallen, of althans een aspekt is van zijn identiteit. Travelling for Godot. De reis als vormende kracht van de identiteit is het enige alternatief voor de afwezigheid van een afgebakend territorium.
In de realistische fabel Mannekino wordt het psychologisch motief uit Verboden Tijd verder ontwikkeld. Lokien observeert zijn persoonlijk bewustzijn dat hij buiten zichzelf projekteert in het personage Guido. Guido is dat deel van zijn bewustzijn dat hij als Lokien kan waarnemen. Het is ook het deel dat hém
waarneemt. In Guido formuleert Lokien het verleden dat hij niet heeft kunnen leven, het ik dat hij nooit geweest is. Waar Verboden Tijd een wraakoefening was door het territorium van zijn broer Klooster te schenden, is Mannekino een droomexpertise waarin het territorium van het verhaal, van de fabel, wordt afgetast. Guido is een superbegaafde figuur wiens talenten voor al liggen in de gemakkelijkheid waarmee hij zijn territorium uitbreidt, in de agressiviteit waarmee hij zijn grenzen verlegt en de wereld beheerst. De macht van Guido schijnt pal tegenover de onmacht van Lokien te staan. Schijnt, want door het afschuiven van de grenzen van zijn persoonlijkheid zo ver van de eigen kern verbergt Guido in feite de zwakheid van zijn persoonskern. De ekspansiedrang van Guido is een fabel, de regressie van Lokien een realiteit. De projektie kan deze realiteit nooit geheel verbergen. Wanneer Guido zich aan de borst van Mirjam, Lokiens vrouw, koestert en driftig zuigt alsof zijn leven ervan afhangt, wordt de droom doorprikt. Guido en Lokien zijn één. Hun realiteit is de verbondenheid met de moeder-vrouw die hun territorium begrenst.
In Mannekino splitst Lokien zich af in Guido, in Breekwater splitst de hoofdfiguur zich af in Lokien. Door deze afsplitsingen wordt het eigen bewustzijn tot personage in een verhaal, een personage dat bekeken kan worden. Zelfwaarneming is een veilige zelfobjektivering voor wie de blik van de ander niet aankan. Ik word tot objekt, maar tot objekt van mezelf. Dit wil zeggen dat ik ook enkel voor mezelf besta. De zelfwaarneming beoogt in beide werken een verandering van het bewustzijn, een verandering van het verleden. De blikverandering mikt op een verandering van de werkelijkheid. Zien immers veronderstelt een perspektief. Via de blik van de waarnemer struktureert én vervormt het perspektief de werkelijkheid. Het vormt een werkelijkheid in de werkelijkheid: de gedachte, het territorium van de waarnemer.
Als realistische fabel is Mannekino een droomlabyrint waarin het bewustzijn van Lokien aan de kritiek van
de verbeelding onderworpen wordt. Situeert de fabel zich op het vlak van de figuren en het modelkarakter van het boek, het realisme ervan ligt in de waarneming zelf. De realistische observatietechnieken bekijken en struktureren vanuit verschillende invalshoeken de wereld van kind en volwassene. De waarneming zelf is koel, gedetailleerd, bijzonder konkreet, haast dokumentair. De beschrijving van het milieu, van de stad, van de personages, en de citaten uit reisgidsen, geschiedenisboeken, enzovoort, hebben de schijn van objektief te zijn. Maar deze objektiviteit bedriegt. De techniek van de waarneming zelf mag dan realistisch zijn, het resultaat ervan ontleent zijn tover aan het kader en de struktuur waarin de observatie geplaatst
is.
In De sirkelbewoners en De geboorte van een geest struktureren de "kijkwandelingen" (8) van Lokien, Kilo en het psychoon het verhaal. Kijken is de wereld verkennen, is de dingen tot leven maken. In zijn nieuwe emblemen formuleert POLET het zo: "Ik maak mijn wandelingen en kijk. Kijk de dingen werkelijk en mezelf in leven." (9) Kijken is het uitbreiden van de vertrouwde omgeving in het verwerven van een ruimer territorium. In deze beide romans wordt de stad Amsterdam aan hun blik ondergeschikt. De stad wordt vertrouwd, wordt herkenbaar, wordt beetje bij beetje bewoonbaar. Door deze blikverkenning gaat de stad deel uit maken van de identiteit van de figuren. In De sirkelbewoners bouwt Kilo zo tijdens zijn koncentrische wandelingen, huizenblok voor huizenblok, de stad uit tot het een leefbare stad wordt. De stad wordt ook letterlijk in zijn territorium opgenomen. Zijn hok wordt een kamer, een woning dank zij de afgedankte voorwerpen die hij van zijn zwerftochten meebrengt. De stad wordt leefruimte. In De geboorte van een geest krijgt Lokien door zijn wandelingen en zijn lektuur een historisch bewustzijn. Hij eigent zich het verleden van de stad toe en krijgt daardoor ook zelf een verleden. De stad is het territorium, het kader waardoor deze figuren kunnen bestaan. Anderzijds kan ook de stad maar bestaan bij gratie van de figuren: "de spanning van zijn blik, zijn aandacht houdt de stad bijeen." (10) De stad is de ruimte waarbinnen gekeken wordt. Kijken is waarnemen, is ervaren. En ervaren is een identiteit verwerven. Als kijkende funkties selekteren de figuren uit de werkelijkheid hun eigen gestalte, wat belangrijk is voor hen als persona, maar ook voor het literaire werk: als taalfiguren fokaliseren zij op de verschillende motieven en tema's, ordenen zij de veelheid van teksten en stijlen.
Zowel Lokien als Kilo zijn tijdens hun kijkwandelingen alleen. Zij hebben geen afstand genomen van zichzelf. Zij zijn hun daad. Lokien looking. Zij zijn hun situatie van kijkend bewustzijn. Wanneer hun kijken waargenomen wordt, komt hun ik tot bewustzijn. In L'etre et le néant schetst SARTRE zo'n situatie waarin een sleutelgatkijker op het ogenblik dat hij ook zelf bekeken wordt, niet langer bij zijn objekt verwijlt, maar zichzelf bewust wordt van zijn situatie als kijkende, zelf tot objekt wordt. (11) In Xpertise vinden we een haast identieke situatie. De voyeur Lokien die met zijn verrekijker de huiskamers van de appartementsblokken aftast in de hoop kontakt te leggen met hun bewoners, realiseert zich plots dat een ander vanuit een tegenover gelegen étage naar hem stond te gluren. Op dat ogenblik is Lokien niet meer zijn territorium, maar is hij in zijn territorium, bewust van zijn grenzen en van zijn zwakheid. Op het ogenblik dat hij aangekeken wordt, verwerft hij zijn identiteit. "Hij ziet mij, dus ik ben." (12) Voor Kilo met zijn onderontwikkelde ego-integriteit is de blik van de ander nog veel dreigender. Hij beweegt zich voortdurend langs de gevels van de huizen, en verbergt zich wanneer hij bekeken wordt. Slechts nadat hij met zorgvuldig bekeken afgedankte voorwerpen zijn kamer heeft ingericht, wanneer na vele wandelingen de stad vertrouwd is geworden, slaagt hij erin zijn schaamte te overwinnen. De blik van de ander die mij voor mijn eigen territorium verantwoordelijk stelt, kan in de limiet niet alleen bedreigend maar zelfs bestraffend zijn. De politikus die
in De sirkelbewoners door een proletarische beweging ontvoerd is, wordt voortdurend en vanuit alle hoeken door kamera's bekeken. Blootgesteld aan de opdringerige blik van de ander verliest hij elke eigenheid, wordt hij in de kern van zijn persoon aangetast, wordt hij vernederd. Ook Guido in Mannekino kende die angst voor de blik van de ander.
"- Je kijkt weer, zei Gonnie, zonder op te zien.
- Even maar.
- Is er iets bijzonders aan me?
- Nee.
Te laat. Fout antwoord.
- Dank je, zei ze. Volgende keer kijk ik naar jou. En ineens schoot het door hem dat hij wel eens door haar in het oog gehouden kon worden. Hij schrok hevig." (13) Anders wordt het wanneer de bekijker zelf onbekeken kan blijven. De blikken van de voorbijgangers kunnen dan niets aan de vorm en de eksistentie van de kijkende veranderen. Het psychoon is zo'n "onbekeken bekijker". Maar hoewel veilig in zijn territorium voelt het dit paradoksaal aan als een tekort. Het psychoon wil bekeken worden. Het wil bestaan. Slechts in de ogen van de ander wordt het zichtbaar, krijgt het een gestalte en een vorm. Vandaar de sprongvariatie binnen de Lokiencyklus. In De sirkelbewoners, dat in het verhaal voor maar in de geschiedenis na De geboorte van een geest komt, krijgt het psychoon body in de figuur van Kilo. Het vult zichzelf meer en meer met de ervaringen van de maatschappij. De groepsgeest wordt zichtbaar. Door zijn eksploratie in ruimte en tijd van de stad en haar bewoners wordt het psychoon drager en uitdrager van de geest van de kollektiviteit. Als waarnemend bewustzijn kreëert het een saamhorigheid waardoor de sirkelbewoners een gezamenlijke identiteit verwerven. De betrokkenheid van het psychoon bij zijn omgeving is de eksemplarische betrokkenheid van elk individu bij zijn leefwereld. "De waarnemer verricht, ook al is hij alleen, met zijn waarnemen, een daad van kommunikatie. Hij levert met zijn zien, met zijn horen, met heel zijn waarnemend lichaam een
bewijs van saamhorigheid." (14)
Als "blik" is het psychoon een open, nog te materialiseren vorm. Het is een neutraal en minimaal bewustzijn dat zich gaandeweg meer realiseert. Het is een kreatief in te vullen model waarin de geest van de maatschappij geassimileerd wordt. Het is het maksimaal onbepaalde X dat nog een eigen gelaat moet krijgen. Door de kreativiteit van de lezer verliest het zijn abstraktheid en wordt het een transformeerbare identiteit die tussen archetype en individu zweef t. In deze zin is het een appel aan de lezer om vanuit de eigen identiteit mee vorm te geven aan de uitdrukking van de gemeenschap die het kunstwerk is.
Een soortgelijke funktie hebben de balusters van MAGRITTE. In Le jockey perdu van 1925 en 1940 bijvoorbeeld haast een ruiter zich door een bos waarvan de stammen op reusachtige spijlen van balustrades gelijken, terwijl zij toch ook fallische konnotaties oproepen. Max ERNST heeft deze figuren ooit omschreven als "fallustrades". (15) Maar evenzeer gelijken zij op de elementen van een trapleuning, van een stenen borstwering, of zelfs op Franse schaakstukken. Deze smalle pilaren, door Magritte "bilboquets" genoemd, behoren tot de vele virtueel moeilijk te verklaren motieven in zijn werk. Andere schilderijen bevatten meer antropomorfische balusters - soms met armen, soms met een hoofd als een urne -, grote volle of gespleten bollen of filigraan gesneden papier. Zoals het psychoon zie ik de fallustrade als een geîntrojekteerd kollektief bewustzijn dat de blik van de waarnemer (lezer/bekijker) nodig heeft om een betekenis te verkrijgen. De bilboquet bekleedt een intermediaire plaats tussen het individueel bewustzijn en het onderbewustzijn. Als dusdanig fikseert het elke waarnemer-ontvanger in zijn essentie als individu en als lid van de kollektiviteit. Het is een gestalte die vanuit de eigen identiteit ingevuld moet worden om zo vorm te geven aan de geest van de maatschappij. "Magritte's construction would appear to have taken shape in an obscure area of consciousness, occupying an intermediary position
between conscious and unconscious an element which common sense denounces as unreal but which is psychological true." (16) Magritte's balusters bevolken het landschap van zijn schilderijen als kroongetuigen bij het spektakel van het leven. Ondanks de zekere individualiteit die zij bezitten zijn zij onrealistisch en maken zij nooit echt deel uit van het landschap. Ze staan er te kijken. Zij fikseren de schilderijen in hun werkelijkheid als schilderijen. Evenzeer vatten zij de bekijker in zijn gedrag van waarnemer. Wat ik met andere woorden zie in Magritte's schilderijen is mijn eigen kijken. Ik bezin me over mijn zien. Ik beschouw mijn waarneming.
In sommige schilderijen is de kijkende funktie van de bilboquet meer uitgesproken. Hij verschijnt dan als een antropomorfische schildwacht of als een gehumaniseerde toeschouwer van de gebeurtenissen. Belangrijk hierbij is dat het zien gekonkretiseerd wordt, zoals in de verschillende versies van La traversee difficile. In 1926 heeft de bilboquet een onschuldig en nauwelijks opvallend oog. In de versie van 1963 werd het oog meer onheilspellend en krijgt de bilboquet pak en das aangepast. In cosmogonie éiéraentaire heeft een meer gehumaniseerde baluster twee armen en een hoofd met een opening waaruit vlammen gespuwd worden. In Les droits de l'homme brengt een gelijkaardige bilboquet naast een brandende tuba eveneens de idee naar voren van een schildwacht of een getuige. Vermoedelijk is dit schilderij geïnspireerd op DE CHIRICO's mannequins. Deze figuren staan ergens tussen mensen van vlees en bloed en een kubistisch standbeeld in. Ook Polets mannekino's zijn zulke figuren. Maar zijn poppen nemen deel aan het (zij het artificiële) leven. De bilboquets van Magritte getuigen daarentegen van een onheilspellende eenzaamheid. Meer en meer worden zij in verband gebracht met de idee van vernietiging. De blik tast het bekekene in zijn eigenheid aan. De blik, zoals het vuur, verteert wat het in zijn macht krijgt. Maar de onbekeken bekijker zelf blijft eenzaam. In de bolhoedfiguren worden de bilboquets getransformeerd tot heren van stilte die in al hun metafysische eenzaamheid de wereld gadeslaan. "Twee heren met zwarte bolhoeden kwamen binnen," schrijft Polet in Xpertise (17), "twee heren van stilte."
De bolhoedman is zoals Ulrich in Robert MUSIL's Der Man ohne Eigenschaften of zoals het psychoon of Kilo in de Lokiencyklus. Het is een figuur waaruit alle niet essentiële elementen zijn weggelaten. Hij vat de wereld in één blik, maar dikwijls is zijn aangezicht vervaagd, verborgen door allerhande objekten of weggedraaid alsof hij een universele afkeer wil uitdrukken. De metafysische eenzaamheid van de bolhoedman lijkt in zijn sociale afkeer scherp tegenover de maatschappijbetrokkenheid van het psychoon te staan. Maar in zekere zin is deze weigering om te "zijn" een afspiegeling van het menselijk type dat onze maatschappij geproduceerd heeft en waartegen Polet in zijn utopisch schrijven reageert. Aldus wordt de kollektieve fysionomie van de bolhoedman net zoals deze van de balusters de uitdrukking van een groepsziel en weerspiegelt zij een aantal onderdrukte waarden, met name diegene die betrekking hebben op de saamhorigheid tussen individu en maatschappij. De bolhoedman is dan ook een perfekt medium voor onze eigen projekties. Hij wordt meer en meer mythologisch. Zoals DUCHAMP's vrijgezellen wordt hij een vertegenwoordiger van de mensheid. De bekijker van Magritte's schilderijen die zijn rol als dusdanig herkent, haalt hem uit zijn eenzaamheid, al moet de toeschouwer daartoe wel de konfrontatie met de eigen eenzaamheid durven aangaan.
Door bemiddeling van de balusters en de bolhoedmannen beschouwt de waarnemer van Magritte's werk zijn eigen kijken. Dezelfde funktie hebben de mediërende figuren in het oeuvre van Polet: Lokien, Kilo, het psychoon, Kilotron, detektive Perdox, enzovoort. Het kunstwerk vormt een uitnodiging aan de ontvanger om te leren zien. Het daagt de normale wijze van zien uit. In de verbeelde werkelijkheid ontluikt het mysterie. Zien is een daad van iets zien en iets niet zien. In het herkenbare is een dimensie aanwezig die ons toch
steeds ontsnapt. Kijken is een vorm geven aan het verborgene achter het zichtbare. De kunstenaar brengt deze dimensie aan de orde. In deze zin zijn zowel het oeuvre van Polet als van Magritte een revolte tegen de gemeenplaatsen en een aanval op de vooropgezette ideeën. Kunst: een dekonditioneringsruimte. Zoals je het licht door een prisma breekt, zo doorbreek je het vertrouwde. Door dit herordenen en herplaatsen van het herkenbare worden we aangespoord tot kritisch waarnemen en divergent denken. De kaderkollage van Polet, en daarmee bedoel ik de gehele Lokiencyklus met zijn stijl- en standpuntwisselingen, zijn perspektiefverschuivingen, en niet te vergeten zijn spellingsverandering, is funktioneel als een "dérèglement de tous les sens". Het doorbreken van de stadskaders in Xpertise, van de lijsten in Magritte's werk stellen de vraag naar waar de realiteit ophoudt en het kunstwerk begint. Realiteit en verbeelding zijn echter met elkaar vervlochten. Het kunstwerk begint waar de realiteit gemaakt wordt. "Liternatuur: zelfgeschapen 'environments'." (18) De werkelijkheid is een produkt van onze kreativiteit, van de ogen waarmee we haar bekijken. De werkelijkheid is een kunstwerk waar we de zichtbare ruimte zelf vullen, onze omgeving tot ons territorium maken. Het kunstwerk is ingevulde werke1ijkheid, telkens anders gezien.
De surrealistische technieken van Magritte en Polet bevrijden ons uit onze mentale gewoonten en stel en de vraag naar het statuut van de werkelijkheid. Door het verzetten van normen en verwachtingen kreëren zij een nieuwe zienswijze en een nieuwe zijnswijze: het territorium van de homo ludens die zich met de ogen open speels de werkelijkheid kan toeëigenen, telkens andere werkelijkheden, myriaden werkelijkheden naar gelang de plaats die hij tegenover het prisma van het leven inneemt.

NOTEN:

( 1) VOS (Dirk): "Een stad tussen IK & X: Amsterdam en de geboorte van een geest," in Restant, XI, 1983, 4, p 123-146.
VOS (Dirk): "Looking at Lokien: De ondertitel als leespakt in de Lokiniade van Sybren Polet," in Restant, XIV, 1986, 4.
( 2) POLET (Sybren): Xpertise of de experts en het rode lampje, Amsterdam, De Bezige Bij, 1978, p 309.
( 3) MERLEAU-PONTY (Maurice): Le visible et l'invisible, Paris, Gallimard, 1964, p 179.
( 4) ERIKSON (Erik H.): Childhood and Society, 2e dr.
New York, Norton, 1963, p 252.
( 5) SARTRE (Jean-Paul): L'etre et le néant: essai d'ontologie phénoménologique, 4e dr. Paris, Gallimard, 1955.
( 6) POLET (Sybren): o.c., p 363.
( 7) POLET (Sybren): Verboden tijd. Een tijdfabel, 2e dr. Amsterdam, De Bezige Bij, 1974, p 194.
( 8) POLET (Sybren): De poppen van het Abbekerker wijf.
Nieuwe embiernen,
Amsterdam, De Bezige Bij, 1983, p 159.
( 9) ibid., p 142.
(10) POLET (Sybren): Xpertise, o.c., p 402.
(11) SARTRE (Jean-Paul): o.c., p 317.
(12) POLET (Sybren): Xpertise, o.c., p 199.
(13) POLET (Sybren): Mannekino. Een realistische fabel, 5e dr. Amsterdam, De Bezige Bij, 1979, p 76,
(14) BERG (Jan Hendrik) VAN DEN: Zien: begrijpen en verklaren van de visuele waarneming, 5e dr. Nijkerk, Callenbach, 1984, p 54.
(15) GABLIK (Suzi): Magritte, 3e dr. London, Thames and Hudson, 1972, p 26.
(16) idem.
(17) POLET (Sybren): Xpertise, o.c., p 418.
(18) ibid., p 310.

print deze pagina print deze pagina