VAN EROTIEK TOT POLITIEK


HUGO BREMS
Motieven in de vroege poŽzie van Sybren Polet'.
In: De literatuur van Sybren Polet, red. H.R. Heite e.a., Amsterdam, 1980.

Dat Sybren Polet de jongste jaren zo in de belangstelling staat, dat zijn werk zo in trek is, misschien meer als onderwerp van tijdschriftartikelen en universitaire scripties dan als lectuur voor een ruim publiek, heeft veel te maken met het momentele samentreffen van zijn literatuuropvatting en die van een welbepaalde strekking in de kritiek. Vanaf zijn debuut in 1953 tot omstreeks 1970 is Polet zowat een buitenbeentje gebleven, een moeilijk te klasseren geval. Hij was als dichter wel een Vijftiger, maar toch ook weer niet helemaal. (1) Zijn romans waren niet traditioneel verhalend, maar toch ook niet taal-experimenteel als die van bv. Ivo Michiels, en nog minder bewustzijnsstromen met therapeutische bedoeling. Hij schreef toneel, maar echt speelbaar toneel was dat niet. Sybren Polet was als auteur een 'geval'. Tegenwoordig is hij een voorbeeld, toepasselijker: een model. Na het creatieve irrationalisme van de Vijftigers, na de cultus van de verwondering om de werkelijkheid, is Polet binnengehaald als auteur van een literatuur die bewustmaking op het oog heeft, die modellen ontwerpt voor een kritische interpretatie van de werkelijkheid. (2)
In tegenstelling tot de meeste Vijftigers, die minder en minder avant-garde geworden zijn (Lucebert, Elburg, Vinkenoog, Campert, Andreus - met uitzondering wellicht van Kouwenaar), schijnt Polet dat meer en meer te worden.
In dit opstel wil ik o.m. een poging doen om na te gaan of en eventueel hoe de oorsprong daarvan te vinden is in het vroege dichtwerk van Polet, vooral dat uit de jaren '50, grosso modo tot voor het verschijnen, in 1971, van de verzamelbundel Persoon / Onpersoon, overigens kort daarop gevolgd door het essay Literatuur als werkelijkheid. Maar welke? (1972), dat zijn doorbraak definitief bevestigde. Dat betekent in hoofdzaak: een analyse van de motieven en poŽzie-opvattingen zoals die uit de gedichten naar voren komen, in hun onderlinge samenhang en evolutie. Overeenkomsten en verschilpunten met de experimentele Vijf-tiger-poŽzie zullen daarbij aan de orde komen.

In zijn opstel 'Die dit schrijft heet Iks' (3) noemt Polet het gedicht 'Schaduw', waarmee Organon (1958) begint en Persoon / Onpersoon eindigt, een samenvatting van de voornaamste motieven en thema's uit zijn hele poŽtische werk; met name dan van de metamorfose en de dubbelganger. De indruk wordt gewekt dat begin- en eindpunt van zijn poŽzie samenvallen, en enkel verschillen in de graad van bewuste explicitering. Maar het begin is niet het begin. Behalve 'In het centrum', dat via Organon in de verzamelbundel belandde, is daar geen spoor van zijn debuutbundel Demiurgasmen (1953) terug te vinden.
Zoals door Fokkema aangetoond werd, (4) dateren de verzen uit die bundel van 1947-1950. Dat komt neer op een gaping van acht jaar tot de tweede bundel verschijnt: ruim genoeg voor een evolutie in Polets poŽzie-opvattingen. Van stem geven aan de binnenwereld tot stem geven aan de buitenwereld, zoals Fokkema stelt? (5)
Het eerste gedicht uit Demiurgasmen, 'Wind en vorm', een bijna regelmatig sonnet, confronteert al in zijn titel twee semantische paradigma's die we nog herhaaldelijk zullen tegenkomen: dat van het worden en dat van het zijn, vloeibaarheid en vastheid, beweging en stilstand, niet strikt van elkaar gescheiden, maar in een dynamische relatie van wederzijde afhankelijkheid en wisselwerking: structuur -transformatie - structuur:

'structuur houdt nog de huizen bij elkaar maar nu de hitte reeds komt verstrijken vloeit alles weerstandsloos ineen: gevaar!
En wij, een klomp gerekt wit gloeiend glas.
ik wacht een wind, een die opnieuw zal vormen
- (...)' - (D., p. 5) (6)


De omvorming gaat gepaard met warmte (warm, gloeien, hitte), vloeibaarheid en beweging. Dat motief van transformatie, overgang van de ene toestand naar de andere, komt in de meeste gedichten van de bundel terug. Het is o.m. herkenbaar in een lange reeks trefwoorden als 'opstand', 'smelten', 'openschuiven', 'veren', 'rekken', 'nieuw', 'gummi', enz.
Wat opvalt is, dat het daarbij niet in de eerste plaats gaat om de toestand na de omvorming, maar om de omvorming zelf, of eerder nog om de mogelijkheid, de transformeerbaarheid: een wankele, ambigue toestand, waarin alles nog (al) kan: smelten en stollen, vorm aannemen of ineenvloeien. Daarmee hangt samen dat de ontbinding van de vaste structuren tegelijk gehoopt en gevreesd wordt: 'gevaar!' was de uitroep in 'Wind en vorm',bij het ineenvloeien van alles. En in het daaropvolgende gedicht, waar de 'ik' het leven voelt 'trommelen in de buiken', is weer het laatste vers een roep om beveiligende inkapseling: 'leg vlug je armen om mij heen' (D., p. 7). En elders: 'Wij aarzelen' (D., p. 8), of in volle ambiguÔteit: 'maar dit is tevens wat ik wil ontvluchten / en niet ontvlucht (...)' (D., p. 9).
De ontbinding van het vaste doet immers zo'n mateloze energie vrijkomen dat de volledige chaos dreigt, waarin de identiteit van mens en ding verloren gaat: een ontploffing van irrationaliteit, die door de vorm bedwongen moet worden.

'onder het glazuur van tafel en haard hoorde ik de moleculen stromen
zacht maar dringend in dezelfde vorm waarin zich hadden in te tornen
de kachel naar zijn functie en
de tafel naar zijn aard.
en eveneens lag zo een vrouw
gespannen in haar eigen vormen. alleen een glazen vel
hoedde voor splitsing
in mateloze energie
- die mij verblinden zou.' - (D., p. 29)

Precies die toestand van potentialiteit, van 'een elastisch veren', fascineert de dichter. Gedichten als 'Transparant' (D., p. 17) en 'Wakker' (D., p. 19) geven daar het zuiverst gestalte aan. 'Transparant' is de uitbeelding van een absoluut moment, a.h.w. buiten de tijd ('Als nu de tijd niet in zal slaan / is deze dag als cellofaan'). De lading potentiŽle energie die dat moment bol doet staan, gespannen in een beheerst evenwicht, wordt perfect uitgedrukt in het paradoxale beeld: 'de actieve rust van een begin'. Dezelfde beelden en motieven keren terug in 'Wakker':

'het glas hing rustig in zijn spanning,
hij ademde, de spanning hield het uit.'
of
'hij hijgde ingehouden'
en het slot is:
'hij dacht: wanneer de dingen zo gebeuren hoor ik ze niet in taal te motiveren.'

M.a.w. wanneer de werkelijkheid(beleving) zo'n gespannen evenwichtstoestand bereikt, zo transparant en geladen is, wanneer de vervreemding is opgeheven, dan hoeft er niet meer geschreven te worden. Andersom: schrijven heeft als eerste functie die vervreemding op te heffen, de werkelijkheid met spanning te laden, contact te maken. Zo is Polet in de meeste van deze gedichten inderdaad bezig 'de dingen in taal te motiveren', b.v. in 'Contact' (D., p. 23), dat als het complement verschijnt van voorgaande verzen. Als de dingen niet uit zichzelf die toestand van transparantie oproepen, dan doet de dichter het met zijn belevende taalaanwezigheid: 'Hij stak zijn pink in een contact'. En wat gebeurt? t Het licht sprong aan en werd een licht / waarin de dingen werden opgeschrikt.' Het hele interieur begint hevig te leven, en 'op mijn schouder werd een hand gelegd zo warm en heftig en zo levend -'.
Niet de tijdeloosheid van een absoluut moment wordt dan bereikt, maar de weelde van de verabsoluteerde tijdelijkheid, waarin elk moment tot in de diepte en tot in zijn verste vertakkingen lichamelijk geproefd wordt:

'de tijd is een onredelijk geluk met duizend clitores en
erogene kieuwen
en elk moment is een verdovend mes
een kier van pijn trekt door de vliezen
wij liggen in het ei
van een minuut geprest.'

De opdracht, 'voor Cora', die dat gedicht begeleidt, identificeert ten overvloede die geluksbeleving in de erotiek. Dat is niet onbelangrijk als correctie op het gangbare beeld van Polet als koel, intellectualistisch dichter. De belangrijke motorische rol van de erotiek in de uitbouw van zijn poŽtische wereld, zal verder nog blijken.
Waar het in deze bundel om gaat wordt samengevat in twee nauw aan elkaar verwante gedichten, 'Centrale' (D., pp. 28-29), en 'In het centrum' (D., pp. 34-35);

'de spanning heersend in de kamer kan een
leven eindeloos
weer doen beginnen' - (D., p. 28)
en:
'alleen maar huid, in een geluk dat bloed was, een geluk van bloed.
ik werd tot aan de morgen
door een geheime polsslag voortbewogen.' (D., p. 35)

Niet toevallig is in Demiurgasmen zo'n opeenhoping te vinden van trefwoorden als 'polsslag', 'pulseren', 'veren', 'elastisch', en vooral 'ademen'. De ritmische, op- en neer-, in- en uitgaande beweging van de adem, van het bloed, is die van het leven zelf:

'mijn adem is mijn adat'
en:
'De kwadratuur van de pulsatie prest een spanning in de kernen met
- verdichting van betekenis.' - (D., p. 32)

Adem en spanning, wind en vorm zijn de polen waartussen de dichterlijke wereld hier een dynamisch evenwicht zoekt7 in een gelijktijdige beweging van aantrekking en afstoting, angst voor de chaos en euforie om het vloeiende, vormdoorbrekende levensritme. Die thematiek uit zich op twee vlakken: dat van de ik-beleving, en dat van de meer omvattende werkelijkheidsbeleving. Het is duidelijk dat het hier geschetste spanningsveld dat is van de verdrongen en gevreesde, maar niet minder dwingende en verlangde sexualiteit. In vrijwel alle gedichten verwijzen enkele beelden of verzen daarnaar. Sommige gedichten zijn in hun geheel in die zin te lezen. Ik denk aan 'Wind en vorm', 'Voorlaatste halte', 'Ronde', 'Interesse', 'Moment', 'Ik ben als uur bij u in huis'. En in 'Stadscentrum' is de hele tegenstrijdigheid van opborrelend leven en verstenende remmingen open en bloot gegeven.
Maar er is meer. Demiurgasmen is in zijn titel een contaminatie van 'demiurg' en 'orgasmen'. Het orgasme, als pool van bevrijding en ontlading van opgehoopte spanning, vertegenwoordigt het niveau van de persoonlijke lyriek. Maar door zijn koppeling aan demiurg roept het niet enkel zijn
t tegenpool op, die van de ordenende creativiteit8, maar wordt liet ook opgenomen in de ruimere context van de hele ambivalente werkelijkheidsbeleving.9
Daarom geen verhulde ik-lyriek maar wederzijdse osmose en bevruchting van beide niveaus.

Zoals Demiurgasmen is de titel Organon een contaminatie van twee taalniveaus: het lichamelijke en het chemische, technische. We mogen dus ook hier weer twee werelden verwachten die elkaar in evenwicht houden.
liet eerste gedicht, 'Schaduw', beschrijft de geboorte van 'een contramens' (0., p. 6), in een 'huis met antipoden' : een motief dat hier voor het eerst opduikt, maar dat in de latere gedichten aan belangrijkheid zal winnen en nog allerhande transformaties zal ondergaan. Zů nieuw is dat motief nu ook weer niet. Het is een van de verwezenlijkingen die als mogelijkheid besloten lagen in de dieptestructuur van thesis
o - antithesis, of: gemis en compensatie, iets dat al in het motto van Demiurgasmen te vinden was: 'A cause de ce manque, 'aspire tant', van Henri Michaux. Overigens wordt deze

1 - contramens geboren uit de adem, het blazen van de ik, die daardoor zijn 'schaduw' voorziet van een 'skelet'. De 'fluorescent' naderende man is niemand anders dan de zich metamorfoserende ik uit de vorige bundel, maar die nu zijn metamorfose, zijn wedergeboorte zelf in handen genomen heeft, die blijkbaar een deel van zijn twijfels kwijt is en een hogere graad van bewustzijn heeft bereikt.
Hoe de motieven uit de debuutbundel hier doorspelen en geŽxpliciteerd worden, toont het gedicht 'Organon' (0., p. 9).10 De achtergrond van het gedicht is een gemetamorfoseerd stadsbeeld, analoog aan meerdere evocaties in de voorgaande bundel. Een verandering van 'reumatisch' naar 'pneumatisch'. Maar wat hier wel duidelijker naar voren komt, is de gedachte van compensatie. Het eenzijdige wordt opgeheven door zijn tegenpool:
- - 'In een buik vol zachte rode vogels en organen een hard orgaan zijn met geluid"
- - 'Op de plaats van benzinestations adempompen stellen'
-'ideeŽn om te eten'.

Die compensatie leidt tot synthese, het meest opvallend in composita als 'Organon', 'adempompen', en in een term als 'pneumatisch', die in ťťn adem verwijst naar de technische wereld, de adem, pneuma als levensprincipe. De motor, of beter de transformator in dat proces, is 'zon' en 'hart', niet zo originele symbolen van warmte en leven. En de wereld die ontstaat is er nogmaals een naar het beeld en gelijkenis van de adem: 'een akwarium met milde vensters / om in en uit te gaan'.
Maar de synthese gaat verder dan dat. Het spel met pool en tegenpool, het ritme van de adem zijn ook het spel en het ritme van de erotiek. Een hele reeks beelden brengt als secundaire (zo al niet als eerste) betekenis die sexualiteit mee:

-'In een buik vol zachte rode vogels en organen een hard orgaan zijn met geluid"2
-'In een stad van behaarde ademende muren een boom planten van been, en vlees, een spier met een perpetuum mobile'.

Iets wat in de volgende gedichten naar believen kan aangevuld worden:

-'een sterk orgaan'. (0., p. 10)
-'een instrument dat trilt'. (0., p. 10)

Daarop voortgaande, en in het licht van de nog sterker ik-betrokken debuutbundel, heeft het er de schijn van, dat de
bewuste metamorfose en synthese-thematiek van Polet ontstaat als verhulling en / of extrapolatie van sexuele spanningen. Kan dat eventueel psychologisch- biografisch zo zijn, voor de lezer van deze gedichten liggen de zaken anders: dan maken sexualiteit en werkelijkheidsbeleving samen ťen geheel uit, waarbij de sexuele laag component en symbolische kern is van de vitale, niet vervreemde, dynamische aanwezigheid in de wereld. Dat brengt ons midden

in een van de meest typische motievencomplexen van de Vijftigers. Getuige enkele varianten en aanvullingen in
andere gedichten, met name in 'De stem - welke stem' (0., pp. 16-17) en 'Talitha koemi' (0., p. 18).
In het eerste gedicht is het de stem (van de dichter), die de aansluiting, het contact met de energiebron verzekert en alles bevrucht, 'kiemen van gras in ieder huis' strooit, een lamp 'ontsteekt'. Zijn creatieve, lichamelijke, woordelijk denkende'3 aanwezigheid is de oorzaak van leven:

'En zo volledig is zijn hier-zijn dat het neerdaalt, net of iets vleeslijks neerdaalt in een mist:
een fijnverdeelde oester, melk van heel dun vel'.
(O., p. 17)

Nog duidelijker geŽxpliciteerd in het volgende gedicht, waar de dichter, langs de omweg van enkele van zijn transformaties (= potentialiteiten) de ander die belevende aanwezigheid bijbrengt:

'(...)vannacht
zal ik een tweede neger naast je leerleggen, een rusteloos dubbel, hij zal pupillen in je planten
en lippen, glinsterende pupillen en lippen, want hoeveel is niet te zien
van wat alleen je vormen krijgt door zien -'
(0., p. 18)
En, om de zaak af te ronden, krijgt het meisje nog voelsprieten, nagels en ogen aangemeten:

'(...)want
hoeveel is niet te verbeelden
van wat alleen bewegen en leven gaat door beelden en zien met onzichtbare ogen -,

Dan is de dichter, als een andere Christus, die de mensen tot nieuw leven wekt, klaar:

'Ik zal je wekken en mij naast je leggen, ik zal wakker zijn en je zien, een enkel zijn met warme ogen en opstaan, ademen, overal met je meegaan'

Zoals op tientallen andere plaatsen bij dichters van Vijftig is hier het oog het licht dat de werkelijkheid zichtbaar maakt.'4 Algemener: het is de lichamelijke liefdevolle, intentionele openheid van de mens op de wereld, die leven wekt, onvermoede correspondent les en harmonieŽn doet ontstaan tussen de mens en de dingen, de mens en de mens. Polet doet wat Andreus programmatisch vooropstelde in het gedicht 'Credo"15:

'De dichters (...) veranderen de aarde in de werkelijke aarde.'

Dat het precies de dichters zijn die dat doen heeft te maken met de bijkomende identificatie: oog/hand, of kijken / schrijven, licht / taal, of zoals in het eerste citaat uit dit gedicht: pupillen en lippen.
Al het voorgaande komt samen in het lange gedicht 'Journalistiek' (0., pp. 24-27), dat in de vorm van een verhaal / verslag de metamorfose van een stad beschrijft. Zoals dikwijls begint het met de ontmoeting met 'een man', deze keer 'van twaalf ampŤre / met een rood electronisch oog' (O.,p. 24). Verder wordt gemeld hoe de binnenstad in brand staat, het 'centrum' van waaruit de transformerende energie zich verspreidt, die dingen doet ontploffen, hun vorm te buiten doet gaan. Naarmate men dichter bij dat centrum16 komt, maakt de aanvankelijke paniek plaats voor gefascineerde opname in het transformatieproces. Daar is ook de verslaggever van 'schaduw' (vgl. het gedicht 'Schaduw' (0., p. 6)) geworden tot 'man van twaalf ampŤre':

'van de schaduwen die er liepen zwierven diverse om ťťn enkele man, ik dacht: dit is een zon, het was een man
die uit zijn schedel jongde.' - (0., pp. 25-26)

Wie deelneemt completeert zich in contra-mensen, dubbels, wat (wie) verstard was gaat leven:

'een hij, een-zo-maar-ťťn, voorheen een standbeeld van bedwang, het ging
aan 't veren, langzaam veren, sneller' (0., p. 26)17

Het centrum zelf, de energiebron die dat alles in gang zet, is een oog, 'ťťn enkel oog, ter hoogte van zijn hartstreek, als een hart, een zon'.
Het paradigma is hier rond: adem, hart, zon, oog, hand, mond: energie van verwarmen en zichtbaar maken, beminnen en verbinden, verbeelden.
De overeenkomst in denk- en beeldwereld met andere Vijftigerverzen, o.m. van Andreus, Elburg, en voornamelijk ook Campert, is te frappant om ze niet te vermelden. Ik denk in dat verband vooral aan 'Een neger uit Mozambique' en 'Onvergetelijk' van Campert, waarin de creatieve energie van de kunstenaar een zelfde transformatie teweegbrengt, uitgedrukt in beelden van oog, zon, adem, hand e.d.
of, in een combinatie van zon, licht, warmte en ogen, bij Andreus: 'zonnen van ogen de aarde verwarmend'.18
Maar wanneer tenslotte dat 'mateloos energisch' oog springt, de opgekropte spanning vrijkomt, is de pret er af en het gedicht ten einde in een aarzelend stamelend 'en toen'. De waarschijnlijkste verklaring voor die weifelende anti-climax is dat hier de grenzen van wat poŽtisch mogelijk en formeel beheersbaar is, overschreden worden naar de suggestie van een allesomvattende uitbarsting van creativiteit:
revolutie, chaos, anarchie, iets waar de op transparantie en evenwicht van spanningen gestelde dichter niet aan toe is. De laatste afdeling van Organon groepeert 'Machinale gedichten'. Dezelfde motieven komen hier terug in de gedaante van aan de techniek ontleende metaforen. Zo wordt het oog hier een lamp of een verplaatsbaar elektrisch verwarmingstoestel. Immers, de mens is 'een heldere zich-zelf bewust geworden machine', die 'niet alleen zijn eigen vorm is, maar ook is wat hij ziet' (0., p. 36). Het zijn ligt niet binnen, maar in de relatie naar buiten. Terecht merkt Rein Bloem over deze cyclus op, dat het technische vocabulair eigenlijk beeldspraak is: 'met deze ongewone, onder prozaische spanning staande termen wordt vitaliteit overgeseind."9
Geboorte-Stad(1958) kondigt door titel en motto een voortzetting aan van Organon. Het typische stadsdecor van Polet wordt verbonden met het (her)geboorte- thema, nog eens beklemtoond in het motto van Paul Eluard: 'Notre naissance est perpťtuelle'.
Vooral de eerste gedichten voltooien wat voorafging, met als hoogtepunten 'H-bom' (G., pp. 28-30) en vooral het prachtige 'Vleselijke stad' (G., pp. 13- 15): een opeenhoping van zowat alle beproefde sleutelwoorden in een positieve en duidelijk interpreterende samenhang. De droom van een dichterlijk (d.i. menselijk) bezield (d.i. belichaamd) universum is hier werkelijkheid geworden. Opvallend in de uitbeelding van dat universum is de overheersende rol van corporaliserende metaforiek, inderdaad een 'vleselijke stad', die baadt 'in een zacht vleselijk licht' (G. p. 15).
Overigens kan, op een verder interpretatieniveau, gesteld worden dat metamorfose en metafoor op respectievelijk thematisch en stilistisch vlak elkaars tegenhanger zijn.
Wat de dichter in de stad zo waardeert is: 'alle dingen staan er voor / andere dingen(...)' (G., p. 9). M.a.w. de stad is een konkreet aanbod van metaforiek, enkel wachtend op de (lichter om gezien en verbeeld te worden.20 De dichter, die, zoals het later heet, een gynaecoloog is, die het woord boom kruist met het woord antenne, die vaststelt: 'hoe zacht ligt niet overal de poŽzie uitgespreid als een groen wiegelend ed', en die van zichzelf getuigt: 'Gemotoriseerd zoekt hij e los rondzwevende betekenissen bijeen' (K., p. 81). Wat daarom 'Vleselijke stad' tot zo'n goed gedicht maakt is dat de transformatie helemaal metaforiek geworden is, de metaforiek helemaal thematisch.
Niets anders wordt gezegd in het bekende programmagedicht 'Demokratie':

'Niet een andere werkelijkheid, maar dezelfde werkelijkheid
anders. Niet anders, maar zichtbaarder,
lichter. Ik heb een stad gebouwd.

Ik heb geen stad gebouwd maar een gedicht.
Gedichten zijn duidelijker dan steden
en woorden sterker dan de huizen van een stad.
Ik heb een stad gebouwd.' - (G., p. 69)

Daarmee lijkt Polet wel uitgepraat. Na een hoogtepunt en een synthese als 'Vleselijke stad' zou alleen nog herhaling mogelijk zijn. Dat wordt vermeden doordat enkele schijnhaar perifere motieven van dit complex zich gaan emanciperen en de ontwikkeling van Polets dichtwerk een nieuwe impuls geven. Ik bedoel de motieven van dubbelgangers,
contramensen, daarmee samenhangend het gebruik van personages met zwevende identiteit, en anderzijds een verschijnsel dat wij zouden willen aanduiden als 'incorporatie', metaforische opname van elementen uit de buitenwereld in het eigen lichaam, of andersom, vergroting, uitbreiding van het ik tot zijn Umwelt. De dubbelganger wordt voor het eerst met name geboren in het gedicht 'Schaduw' uit Organon. Polet: 'de dubbelganger kan iedereen en van alles zijn en de gedaanteverandering kan volgen tot de meest uiteenlopende mensen, dieren, dingen.'2' Dat verspringen van identiteit, die transformeerbaarheid, die openheid en flexibiliteit hebben alles te maken met de idee van voortdurende hergeboorte ('notre naissance est perpťtuelle'): meer een sociaal dan een psychologisch mensbeeld: de mens als openheid op de wereld, in een relatie van wederzijdse bepaling.
In twee nauw aan elkaar verwante cyclisch-epische gedichten komt zo'n hoofdpersonage op de voorgrond. In de vorm van een reisverhaal vertelt 'Met gesloten ogen op reis' (G., pp. 37-50) de lotgevallen van zo'n man, die zich aanhoudend in diverse rollen reÔncarneert. De cyclus loopt over een periode van lente tot winter en schetst een kringloop van koude, over warmte naar koude (leegte-volheid-leegte / zinloosheid-zin-zinloosheid), die samenvalt met enkelheidveelvuldigheid-enkelheid. Waar hier nog tamelijk vaag blijft waar het met die dubbelgangersreeks naar toe moet, daar wordt dat duidelijker in 'Detective':

Des morgens, vroeg op pad, voor het vervullen van een funktie
-paard zijn bv. -werd hij zoals gewoonlijk overvallen. Allen

die hem zagen herkenden hem. Daarom verschuilt hij zich in
- een
bloem. - (G.,p.5

Hij schakelt vervolgens een detective in, die met zijn opdrachtgever een soort kat- en muisspelletje speelt. In een onwaarschijnlijk tempo metamorfoseert hij zich achtereenvolgens in een bloem, een Chinees, een Chileen, een Chinees in Amsterdam, een Marokkaan. Hij zit in de huid van een bantoe, de anus van een adelaar. Aan de Orinoco wordt hij regenmaker en legeraanvoerder, om eens ontdekt, als zij-rivier het land uit te stromen, enz.... Zo beleeft hij 'zes dagen van zomerse, zeer geanimeerde eeuwigheid' (G., p. (68). Een eeuwigheid die de intense beleving is van de tijdelijkheid. Het verhaalstramien van het avonturenboek is heel dankbaar voor dit thema. De achtervolgde (die de achtervolgingssituatie zelf schept door een detective te engageren, a.h.w. om zijn eigen waakzaamheid te testen) is door zijn situatie genoodzaakt zich vrij te bewegen in ruimte, tijd en identiteit. Daarbij ontstaat de mogelijkheid om ook de aantrekkingskracht van de fixatie en verstarring uit te beelden, b.v. in het tweede gedeelte, waar de 'hij' belandt in een soort land van de lotuseters, met 'mierzoete muntthee', 'kiefgeurige muziek', enz. De identificatie met zijn situatie, het weerstandsloos, spanningloos opgaan daarin, heeft voor gevolg dat hij 'langzaamaan helderder' wordt, 'kleurt, is weer te zien. Is gezien,-vlucht' (G.,p. 58). Dat samenvallen met een statische situatie, met een definitieve toestand, is precies wat de dood meebrengt. Het is ook de vertreksituatie die een nieuwe vlucht op gang brengt: 'allen die hem zagen herkenden hem' (G., p. 57). Hij ontvlucht de naam, het etiket, de eenduidigheid.22 Wanneer hij naar het einde toe evolueert naar identificatie, wordt hij dan ook 'in de gevangenis opgesloten', waar hij sterft 'aan longkanker, haaruitval, lobotomie, maanziekte, griep' (G., p. 68). Die reeks doodsoorzaken is voor de interpretatie relevant:
ademnood, verval van de lichamelijkheid, verlies van een gedeelte van de hersenfuncties, loskomen van het aardse, en 'griep', wellicht een grap. Humor, knipoogjes, zelfrelativerende passages zijn de poŽzie van Polet overigens helemaal niet vreemd.
Een neveneffect van die metamorfoses is, dat het personage zich kan solidariseren met wisselende situaties, sociale en etnische groepen, toestanden, enz. Dat gebeurt duidelijker in die gedichten waar het lichaam van ik of hij metaforische trefplaats wordt voor persoon en wereld. De eerste keer dat Polet dat procťdť gebruikt, is in het gedicht 'Lynch' uit Demiurgasmen: niet toevallig ook het eerste sociaal geŽngageerde gedicht van Polet. De betrokkenheid op dat gebeuren wordt uitgedrukt in volgende beelden:

-'er hangen negers aan de spoorbomen,
ik houd het in mijn hoofd niet langer uit.
Ik las de krant: dit was het teken t
een neger aan een boom gerekt. zijn pijn heeft zich bij u
in hoofdpijn omgezet?' - (D., p. 12)

En, omgekeerd, in het volgende gedicht, 'Velare hemel' (D., p. 13), verzen als:

-'Ik hang met een gehemelte vol sterren'
-'de zon ettert in mijn buik'.

'De geÔllustreerde mens' is de titel van een gedicht uit Geboorte-Stad, en tegelijk een treffende oms9hrijving van wat hier aan de hand is. Via het beeld van de gepersonifieerde krant (= de in krant gemetamorfoseerde mens) is het wereldgebeuren de mens op de huid geschreven:

'(...) de gekreukelde mens
richt zich op, richt zich op. Ha -gisteren was ik nog een machine, zegt hij kreunend, met een arbeider
als een bochel onder mijn rug'. - (G., p. 17)

Elders (G., pp. 55-56) is de 'ik' getransformeerd in sneeuw, die uitgespreid ligt over het landschap en de stad, en participeert zo aan het geheel. In 'The human use of human beings', in Konkrete poŽzie, heeft de 'ik' spieren die uitlopen in een radio, in de koplampen van een nachtelijke auto, zenuwen reagerend in een telexapparaat, woorden als elektriciens. En als elektricien is hij aanwezig in een nog grotere, het mensdom omvattende man:

'lang was hij als een werelddeel, als een oceaan diep tot in het onmetelijke van zijn economie onmeetbaar ook
waren zijn lichaamsvolkeren, onpeilbaar
de - temperatuur van zijn ingewanden. Ik heb die man gezien.
Ik - heb die man gezien, ik was in hem, ik moest hem schrijven.
Ik - was zijn ingewanden, zijn dief, zijn elektriciŽn.'
(K., p. 45)

Vooral de afdeling 'De krant' in die bundel is het hoogtepunt van die beeldspraak, met daarin het exemplarische gedicht 'Exemplaar':

'Kreunend vouwt hij zich om:
'ik heb pijn in mijn Parijs, en o, de Jang tse Kiang stroomt over in mijn ogen, er verdrinken 30.000 Chinezen in mijn ogen, gisteren werd een Hongaar in mijn arm gemarteld, gisteren in mijn lies een Algerijn geŽlektroliseerd -'.
(K., p. 55)

De techniek is anders, de functie dezelfde. In de plaats van een veelheid elkaar snel opvolgende metamorfosen en dus contactmogelijkheden, ťťn metamorfose, die de mogelijkheid van een gelijktijdige veelheid aan identificaties in zich draagt.
Voor een synthese van de Polet-problematiek ťn voor een kijk op de filosofie daarachter, nog eens terug naar het programmatische slotgedicht uit Geboorte- Stad: 'Demokratie'. Want precies daar gaat het om: democratie in de meest oorspronkelijke en ruime zin: gelijkwaardigheid, gelijkberechtiging, openheid, eerbied, ontplooiing, dynamiek:
'Demokratie bevordert individuele ongelijkheid door het verlenen van gelijke, of wat nog beter zou zijn extra compenserende, kansen tot individuele ontplooiing. Neven-schikking en gelijkheid leiden tot gelijkschakeling = onwaarde; erkenning van ongelijkheid daarentegen tot anti-uniform woordgebruik, tot taalwaarde. (23)
Die democratie is terug te vinden in de evenwaardigheid van de wisselende gedaanten, in de metaforische combinaties en in het spel met verschillende taalregisters, maar ook in de (soms wel wat paternalistische) relatie die het gedicht de lezer voorstelt:

'Ik stroom niet over u heen in woorden,
- ik ben geen wind -, maar ik heb een stad gebouwd:
de huizen van mijn woorden staan voor u open.'
(G., p. 72)

Uiteindelijk ook in de afwijzende houding tegenover alles wat de levende mens niet als enige maatstaf erkent:

'De Geest heeft de geest gegeven,
het Woord heeft zijn woord gegeven' (G., p. 75)

Dat gaat van het geÔnstitutionaliseerde taalgebruik, over rigide systemen en structuren, ideologieŽn en regimes, tot de religie, die de norm en zin van het bestaan in een onbereikbare verte plaatst. Alleen wat dichtbij, veranderlijk en vergankelijk is is belangrijk:
wij zijn

'de eenvoudigen van lichaam van wie gezongen is
dat zij de aarde zullen erven -, - (G., p. 108)
l)at citaat is afkomstig uit het gedicht 'Lady Godiva op scooter', waarmee de gelijknamige bundel (1960) afsluit. (24) Een bundel liefdespoŽzie, die volgens Polet zelf een uitzon (lering vormt, door zijn subjectief lyrisch karakter. Die uitzonderlijkheid moet nochtans niet overdreven worden. Het verschil is er meer een van sfeer, ik zou zeggen van temperatuur, dan van grondbetekenis.
De nogal abstracte, dikwijls overwegend theoretische thematiek van de voorgaande bundels komt hier tot leven doordat hij toegepast wordt op een concrete liefdesverhouding. Dat brengt als vanzelf mee, dat de erotiek uit Demiurgasmen en Organon hier weer een prominente plaats gaat innemen:

'Ik weet het,
soms groei ik als een komplete boom in je'
(G., p. 88),

maar in hetzelfde gedicht toch ook het bovenpersoonlijke niveau:

'overal dringt de geur van politiek / door (...)'
(G., p. 90)

l)ie concretisering en individualisering van de thematiek brengt enkele verschuivingen mee. De belevende, genezende kracht gaat niet alleen meer uit van de dichter op de werkelijkheid, maar vooral van de 'je' op de 'ik', zoals in het speelse 'De dochters van Columbus' (G., pp. 102-103), waar de borsten van de geliefde aan de wandel zijn en het hele landschap opvrolijken, in rep en roer zetten. Zelfs een dictator krijgt er lieve dromen van, en overstelpt de wereld met dichters. Elders (b.v. G., pp. 97-98) wordt een spel gespeeld met de verschillende metamorfosen van 'ik' en 'je', die elkaar achternazitten, zonder op elkaar de definitieve hand te leggen:
'Kijk, zozeer bedrieg je mij
- met mijzelf' - (G., p. 98)

Er zit in deze bundel een grotere emotionele geladenheid, die a.h.w. zorgt voor thematische 'antimetrie' in de wat verstrakte motievensamenhang. De lichamelijke metaforiek, die ook elders zo dominant was, is hier overtuigender doordat ze dichter bij haar vitale oorsprong blijft. Dat houdt in dat sommige gedichten uit deze bundel voorkomen als een terugkeer naar de oorspronkelijke kern vanwaaruit de evolutie van Polet vertrokken is. Zo lijkt het 'Begroetingssonnet bij het opstaan' (G., p. 104) wel een herschreven versie van gedichten als 'Transparant' en 'Wakker' uit Demiurgasmen (cf. supra). Telkens wordt een moment van volmaakt evenwicht, van transparantie beschreven, ťťn dat de inbreng van de dichter niet meer nodig heeft:

-' (...) wanneer de dingen zo gebeuren
hoor ik ze niet in taal te motiveren.' (D., p. 19)
-'Er is niets te boetseren, niets is volmaakter
dan dit: Dag lieve zon van witte aarde.' (G., p. 104)

Konkrete poŽzie (1962) sluit de eerste periode van Polets dichterschap af, door nog maar eens een synthese te brengen van al het voorgaande, samen met een grote dosis theoretisch-pogrammatische bezinning.
Het meest in het oog springende aspect van deze bundel is natuurlijk het gebruik van woorden en beelden uit de technische sfeer. Dat is een zo veelzijdig en genuanceerd te benaderen kwestie, dat wij er hier niet verder op in zullen gaan.
Liever blijven we nog even stilstaan bij enkele gedichten waarde functie van de poŽzie ter sprake komt. 'Een funktie zijn van al wat niet fungeert' luidt een van de motto's van de bundel, en in 'Essay over het onderontwikkelde woord' (K., pp. 52-53) wil de dichter
'Een poŽzie als rijst
een poŽzie als riet,

een poŽzie van woorden die een dijk dichten, een fort slechten;
een poŽzie als een volledig gediplomeerd hersenspecialist.'

En hij stelt zichzelf als opdracht: 'Verstrek een bizonder voedzame poŽzie'. De dichter wordt dan een soort ontwikkelingshelper, een gynaecoloog (K., p. 81), een bouwer (K., p. 85). Hij is, precies om die taak te kunnen vervullen, metamorfoseerbaar in al wat menselijk is. Hij is een verhevigd, rusteloos, open bewustzijn, dat verbindingen demonstreert met alle lagen van de werkelijkheid. Die didactische, paternalistische instelling van de dichter, die de lezer bij het handje (het bewustzijntje) neemt om hem de echte werkelijkheid te tonen, komt in deze bundel wel eens storend over. Daarom werd het hoog tijd dat Polet zijn bezinning op werkelijkheid en schrijverschap kwijt kon in een heus essay, en zijn poŽzie een nieuwe impuls gaf: de geboorte van Mr. Iks(K., p. 102), die vanaf Persoon! Onpersoon zal optreden als allegorische verpersoonlijking van het niet gefixeerde, variabele, voor afsplitsingen en complementen vatbare bewustzijn, op weg naar de utopische, 'Syntetische Mens',

'de nog menselijke mens:
de mens met een oog als een mond, een hand om mee te spreken wat zijn oog hem influistert,
(...)

de mens die hij wil, de mens die hij is, de Syntetische Mens die hij schiep' (K., pp. 28-29)

De evolutie van Polet, die begint met de labiele spanning tussen 'wind' en 'vorm', twee abstracte principes, gekoppeld aan een subjectieve beleving van o.m. de sexualiteit, mondt voorlopig uit in die tussen 'persoon' en 'onpersoon', Iks en x, individu en massamens. Men kan ook zeggen dat een concreet subjectieve thematiek via het tussenstadium van abstrahering en veralgemening omgevormd is tot een concreet objectieve.
In zijn meest algemene vorm kunnen wij de thematiek van Polet in zijn dichtwerk tot 1962 omschrijven als die van openheid, beweging, spanning, leven. Als geheel is deze poŽzie niets anders dan een ode aan, een propageren van het beweeglijke leven.
Het sterkst wanneer superlatieven uit de denkwereld van het verstarde gebruikt worden om de intensiteit van het tijdelijke, levende weer te geven; combinaties als 'eeuwige tijdelijkheid', 'onsterfelijkheid van het wisselende': 'ik wil het eeuwige leven, mits gelijk aan dit leven' (G., p. 65).
De essentiŽle kenmerken van dat leven vinden hun neerslag in de motieven van de altijd voortvluchtige dubbelganger, de metamorfose van de leefwereld onder invloed van de menselijke aanwezigheid, de vlottende identificaties met al het bestaande, enz. De twee meest extreme, maar complementaire en niet van elkaar te scheiden levensgebieden zijn erotiek en politiek, met daartussenin het leven in de stad, de techniek, de economie, de journalistiek. De houding die Polet als dichter tegenover de werkelijkheid aanneemt is helemaal geworteld in die van de Vijftigers: het is een creatieve, lichamelijke verhouding, die in metaforen structureert en synthetiseert, die het utopische doel nastreeft een gedicht te schrijven dat de geleefde werkelijkheid tot bewustzijn brengt, de mogelijkheid van een te leven werkelijkheid ontwerpt.

NOTEN

1. - Een uitvoerige analyse van de relatie van Polet tot de Vijftigers onderneemt R. L. K. Fokkema in 'Sybren Polet als Vijftiger', in DeRevisor4, nr. 3 (juni 1977), pp. 50-57.
2. - Vgl. bv. K. D. Beekman, 'Experimentele teksten omstreeks '70', in
Spektator4, nr. 9-10 (juni 1975), pp. 529-540, waar Polet, samen met om.
J F Vogelaar, L. van Marissing, M. Insingel en D. Robberechts,tot de literaire avant-garde gerekend wordt.

3. - S. Polet, Literatuur als werkelijkheid. Maar welke? Amsterdam 1972, p,. 135.


4. - R. L. K. Fokkema, o.c., pp. 53-54.

5. - 5 lbid.,p.55.

6. - De citaten zijn afkomstig uit de volgende uitgaven:
Amsterdam 1953 (De Windroos xx iv) (D.)
-Organon, Amsterdam 1958 (De Windroos XLVIII)(O.)
Geboorte-stad/ Lady Godiva op scooter, Amsterdam 1963 (G.)
Konkrete poŽzie, Amsterdam 1962 (K.)

7. - Wat Rein Bloem 'de spanning van het afzet-moment' noemt in 'Hoed
- Hoed af: over de poŽzie van Sybren Polet', in De Vlaamse Gids 60, nr. 5 (sept-Okt. 1976), p. 54.

8. - De demiurg is bij Plato de instantie die de oorspronkelijke chaos tot kosmos ordent, en vertegenwoordigt hier dus de Pool 'structuur', 'vorm', 'beheersing'. Overigens is de oorspronkelijke betekenis van het woord zoiets als 'handarbeider', 'bouwmeester'.

9. - Sommige gedichten zijn overwegend of helemaal opdat niveau te lezen, bv. 'Gummistad', 'Lynch', 'Transparant', '11 uur p.m.'. Wakker', enz.

10. - Om niet te verwijzen naar 'In het centrum' (0., pp. 12-15), waarvan het eerste gedeelte is overgenomen uit Demiurgasmen, en zo later als enige vers daaruit in Persoon / Onpersoon terechtgekomen.

11. - De cursiveringen zijn van mij.

12. - In deze verzen doet zich dan nog de supplementaire, typisch experimentele complicatie voor dat de sexualiteit en het spreken, het dichten ('Orgaan met geluid') gecontamineerd worden.

13. - Vgl. de parallelle verzen:

'beginnen te denken.
Beginnen te beelden' (0., p. 16),

met de nogmaals typische Vijftiger-gelijkschakeling van schrijven en vinden, dichten en tot bewustzijn brengen.
14. - Vgl. bv. Andreus: 'Wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht',
Campert: 'de stad die in zijn ogen verwonderd tot leven zal komen (...)
Elburg: 'en de bloemen hebben mij nodig / om mooi te zijn',en vooral ook
Lucebert, bv. in een citaat dat zoals hier bij Polet oog en hand in dat opzicht
functioneel gelijkschakelt:

'wat ligt er ook dichter bij het licht dan het licht van de ogen dit licht van de ogen is een sobere hand voor de wereld',

in Verzamelde Gedichten, Amsterdam 1974, p. 121. Voor voorbeelden en interpretatie van het motief, cf. H. Brems, Lichamelijkheid in de experimentele poŽzie, Hasselt 1976, pp. 136 e.v.

15. - H. Andreus, Gedichten, Amsterdam 1958, p. 38.

16. - Namelijk het Leidseplein, vooral in de jaren '50 het artistieke centrum van Amsterdam.

17. - Vgl. R. Campert, die het beeld 'een standbeeld opwinden' gebruikt om een gelijkaardig opheffen van de verstarring uit te drukken, in Alle bundels gedichten, Amsterdam 1976, p. 54.

18. - H. Andreus, o.c., p. 108.

19. - R. Bloem, o.c., p. 55.

20. - De band met andere Vijftigers ligt hier weer voor de hand. Vgl. H. Brems, o.c., vnl. pp. 133-142 en 230-237.

21. - In 'Die dit schrijft heet Iks', in S. Polet, o.c., p. 137.

22. - Dat verlangen naamloos te zijn, niet onder eťn hoedje te vangen, is

weer een typisch experimenteel motief. Vgl. H. Brems,o.c.,pp. 119-120.
23. - S. Polet, Literatuur als werkelijkheid. Maar welke?, p. 28.

24. - Ook in deze titel weer de typische combinatie van twee semantisch tegenstrijdige werelden, in de vorm nu van een anachronisme.

print deze pagina print deze pagina