HET PROGRAMMEREN VAN EEN SPRONG


In: De liternatuur van Sybren Polet,
red. H.R. Heite e.a.,
Amsterdam, 1980.

OF:
TWO ILLUSTRATIONS THAT THE WORLD IS WHAT YOU MAKE IT


on the double (Nederlandse zegswijze)

In de essaybundel Literatuur als werkelijkheid. Maar welke? (1972) analyseert Polet o.m. zijn eigen poŽzie. Hij noemt als motieven:
metamorfoze = voortdurende hergeboorte; dubbelganger; stad = demokratiese werkelijkheid; het poŽties onderontwikkelde woord;
en geeft een ontwikkeling aan van individueel gericht naar geŽngageerd op min of meer historisch-materialistische grondslag.
'centraal in dit alles staat de relatie tot de werkelijkheid. maar welke, inderdaad? Uitputtend definieert Polet dit begrip niet; het komt neer op enerzijds de buitenwereld, anderzijds de omgevormde werkelijkheid in literatuur. Die buitenwereld is tamelijk vaag en onbegrensd, met dat soort werkelijkheid is essayistisch eigenlijk weinig aan te vangen. teer valt te doen met een beperking tot de dingen, in de zin aan de objekten waarmee de maker direkt een relatie verbeeldt. Morandi heeft het met zijn flessen en busjes over zichzelf, de dingen, de verbinding daartussen. Dat maakt zijn verbeelde werkelijkheid uit en die kan exemplarisch zijn voor onze werkelijkheden. A. Kibťdi Varga wijst er in n inaugurele rede De dichter en de dingen (1967) op hoe het gedicht leeft dankzij de dingen die het in zich opgenomen heeft' en hoe in de loop van de twintigste eeuw (sinds Reverdy) die dingen steeds meer een leven op zichzelf gaan leiden, niet meer op de wijze van beeldspraak - ondergeschikt aan de gedachte-geÔntroduceerd worden, maar aanwezig gesteld. In woorden vanzelfsprekend en daarmee is meteen een breukvlak gegeven: de woorden zijnde dingen niet en verwijzen ons gemakkelijk naar de kontekst en situatie waaruit de dingen (in de buitenwereld) afkomstig zijn. Hoe hou je nu de dingen binnen het gedicht, hoe maak je de woorden zelf dingmatig? Daartoe moeten woorden onderlinge verbanden aangaan die normaal niet gelden, ver-banden door klank, rijm, ritme, positie, struktuur, associatie en andere bindmiddelen. Vandaar dat de groepering van dingen in gedichten veel heterogener is dan in de buitenwereld of een stilleven doorgaans het geval is. Morandi zet zijn 1 keuken op rij en als een planeet op tafel, maar ontneemt door zijn zienswijze aan zijn objekten hun direkte gebruikswaarde. Kouwenaar zet in Gedicht als een ding totaal verschillende zaken bij elkaar in een eenmalig verband van taal; hij synchroniseert om zo te zeggen een pennemes en een bij, omdat ze beide steken en hem als zodanig zijn opgevallen. Door zo te abstraheren komen woorden en dingen zo dicht bij elkaar als maar kan.
In de twintigste eeuw is het werk van Wallace Stevens het indringendste voorbeeld van deze werkwijze. Zie ondermeer:

THE PLAIN SENSE OF THINGS

After the leaves have fallen, we return
To a plain sense of things. It is as if
We had come tot an end of the imagination,
Inanimate in an inert savoir.

It is difficult even to choose the adjective
For this blank cold, this sadness without cause.
The great structure has become a minor house.
No turban walks across the lessened floors.

The greenhouse never so badly needed paint.
The chimney is fifty years old and slants to one side.
A fantastic effort has failed, a repetition
In a repetitiŰusness of men and flies.
Yet the absence of the imagination had itself to be imagined. The great pond, The plain sense of it, without reflections, leaves, Mud, water like dirty glass, expressing silence

Of a sort, silence of a rat come out to see,
The great pond and its waste of the lilies, all this
Had to be imagined as an inevitable knowledge,
Required, as a necessity requires.

Dat is een gedicht uit 1952, bijna aan het eind van Stevens' leven dus, en dat is te merken aan het uitvallen van de verbeelding, de poŽtische zienswijze die vanaf Ī 1920 op zoek was naar de dingen. Die 'grote struktuur' is vervallen en dat wordt uitgebeeld door een wel heel verrassend beeld: geen tulband wandelt over de afgenomen vloeren; geen fiktie, hoe bizar ook, komt er meer aan te pas! Je ziet iets wat er in die kontekst en situatie misschien nooit geweest is en waar in ieder geval op dit moment geen denken aan is. Na dat beeld, konkreet en abstrakt in ťťn, gaat het verval konkreet verder, tot er geen beeld meer werkt. En op dat moment komen de dingen terug, ontdaan van tarra, buiten de mens om en ze staan konkreter dan ooit voor ogen.
Dit op elkaar inspelen van verbeelding en werkelijkheid is ook al te lezen in Stevens' beroemde bundel The man with the blue guitar (1937):

The man bent over his guitar,
A shearsman of sorts. The day was green.

They said, 'You have a blue guitar,
You do not play things as they are.'

The man replied, 'Things as they are
Are changed upon the blue guitar.'
And they said then, 'But play, you must, A tune beyond us, yet ourselves,

A tune upon the blue guitar
Of things exactly as they are.'

een gedicht dat best vergelijkbaar is met Polets Demokratie:

Niet een andere werkelijkheid, maar dezelfde werkelijkheid
anders. Niet anders, maar zichtbaarder,
doorzichtiger. Ik heb een stad gebouwd.

Dat is niet het enige vergelijkingspunt: Stevens en Polet hebben de dialektiek van verbeelding en werkelijkheid belichaamd in een reeks van 'open' figuren, modellen die telkens anders en eender reageren op de spanningen waaraan zij bloot staan. The comedian as the letter c, mr. Hoon, de man met de gitaar, de hero's, de angels, Canon Asperine, enz. enz. bij Stevens ; de demiurg, detektive, gynekoloog, de syntetiese mens, mr. X, iks, Persoon, Onpersoon bij Polet. Bij beiden heeft 'de man in het centrum' (de titel is van Polet) enorm veel op te knappen, om zowel taal als dingen schoon te houden, maar Stevens blijft veel dichter bij huis (greenhouse, pond) dan Polet. Stevens gaat maar ťťn keer echt de stad in - An Ordinary Evening in New Haven - en dat levert een naar verhouding schraal gedicht op. Polet loopt meer risiko door vrijwel uitsluitend de stad als uitgangspunt te nemen, de buitenwereld met zijn onderontwikkelde woorden die in poŽzie moeten worden bijgesteld. Dat kan eigenlijk niet lukken als die woorden en de dingen die er bij horen, zo vast in kontekst en situatie zitten verankerd, dat ze hele stukken werkelijkheid het gedicht intrekken. Nieuwmarkt (in: Illusie & illuminatie, 1975) mag dan opgedragen zijn Aan de levende schim van Majakowski, van wiens woorden ook her en der gebruik wordt gemaakt,
de Metrofielt blijft Lammers, Amsterdam Amsterdam, en de verbindingen die deze woorden aangaan binnen de tekst maken hun oorspronkelijke kontekst en situatie niet ongedaan. It must be abstract heet het in Stevens' grootste gedicht, Notes toward a supreme fiction; Polet schijnt in zulke gedichten it must be concrete te zeggen, en het is de vraag of dat kan. Ook een gedicht als 0 Baboe Amsterdam, o gammele kalla uit dezelfde bundel maakt de woorden niet dingmatig, hoe mooi de bargoense benamingen ook klinken.
Polet heeft herhaaldelijk zijn gebruik van technische, wetenschappelijke woorden en begrippen verdedigd met een 'waarom niet' of met een pleidooi voor 'het inlijven van gebieden die als onpoŽties werden ervaren'. Maar zo eenvoudig werkt het niet ; het inlijven betekent nog geen leven. Vooral de bundel MetakonkretepoŽzie(1962)laat het gevaar van te snelle inhaal-manoeuvres zien.
I
Maar Persoon / Onpersoon (1971) dan, want daar zitten nog
veel meer citaten en verwijzingen naar aktualiteiten in? Die bundel, een van de merkwaardigste verschijningen in de naoorlogse poŽzie, is geprogrammeerd met een onbekende Mr. x - als kern.
De wijze waarop die lege plek razendsnel door steeds andere identiteiten, bestaande en fiktieve, wordt ingenomen, maakt dat de meegesleepte achtergronden in een kaleidoskoop of, technischer, in een cyklotron terecht komen. De tarra wordt eruit geslingerd en wat overblijft zijn inderdaad kernachtigheden.
De motorcoureur Jackie Ickx neemt zijn hebben en houen mee, maar hij lost als zodanig op in de vergelijking met x onbekenden. De formule zuigt allerhande werkelijkheden aan en blaast ze in een taalspel vol verrassende 'sprongvariaties' nieuw leven in.
Een ander bezwaar, het ongerichte heen en weer zwalken tussen identiteiten, wordt bovendien ondervangen door de polaire tegenstellingen tussen min of meer individu (meneer lks) en min of meermassamens (Mr. x). Dat geeft de bundel een strukturele hoogspanning mee, die in taal een Testbeeld xx-ste eeuw verwerkelijkt.

Een dermate springerig geheel is niet herhaalbaar, zo'n formule werkt maar ťťn keer.
Wat voor variaties koos Polet om zijn mutatie/metamorfose-principes verder uit te werken?
In Illusie & illuminatie geeft hij vier alternatieven: de konkrete (al te konkrete) politieke aanklachten;
een reeks korte, cynische kanttekeningen - liet menselijk bedrijf- die ook weinig werk van de verbeelding maken; een Zelfrepeterend gedicht in vijf delen met coda, vol herhalingen en kleine verschuivingen;
een aantal typografisch opengewerkte, verhalende gedichten waarin juist de verbeelding - illuminatie - centraal staat. De twee laatste alternatieven, beide gekenmerkt door langademige taalspelen, lijken mij veel meer op te leveren dan de dicht bij de werkelijkheid blijvende eerste twee.


een anti-masjiene konstrueren en niet konkurreren, maar lachen, spelen, lachen -is misschien een heel eenvoudige variant in Zelfrepeterend
gedicht,
maar het gaat tenminste weer de abstrakte kant op, zonder dat het iets tekort doet aan de morele en politieke implikaties van zo'n konstruktie. En daarom draait de latere poŽzie van Polet.
Nog meer mogelijkheden bieden de verhalende gedichten als Illusie & illuminatie f Storing in dekorum, A liŽnatie & alliteratie en Stad onder hoed. Zij zijn werkelijk van een supreme fiktie. Het eerste begint op een verspringend kader in een tv-studio; een man verschijnt in beeld op wie een jacht wordt geopend; als vakman, illusionist, stelt hij zich teweer, hij doet 4 stappen achteruit en 5 stappen vooruit,
reculer pour mieux sauter. Dat springen begint pas goed als de werkelijkheid in de vorm van bromfietsen en auto-uitlaten het beeld verstoren:


opnieuw hij verspringt
onder hun blik, idioom,
maar verspringt
in een totaal andere taal & sinjaal
dan waarin
men hem bedacht & verwacht had.

De regels verspringen met recht en het 'beeldwit waarin hij ontsnapt aan dekor & dekorum' is niet alleen op de tv maar ook op het papier te zien.
Onverhoedse sprong - van het begin af is dat het beeld dat Polet voor zijn talloze metamorfoses of hergeboortes gebruikt. Een uitgebreid woordveld wordt daardoor bepaald.
In Demiurgasmen (1953) noteerde ik o.a.:

veren (met allerlei varianten: recht veren, elasties veren, enz.)
het springveert als een gummibal naar buiten zij schudt haar starheid als een mantel af een haan van groen (het groen van Stevens' werkelijkheid!)
woorden springen aan in weelde aansprong (2x)
de dag springt op
wij liggen in het ei van een minuut geperst pulsatie / pneuma / adem / polsslag.

Ook in de titel zit een sprongsgewijze ontwikkeling: de schepper (demiurg) is onmiddellijk klaar (orgasme). Die eerste bundel heeft met al zijn geboorteprocessen vlak voor de dag aanspringt veel van Achterberg, voor wie Polet
in 1955 een gedicht schreef, dat terecht kwam in Metakon krete poŽzie:

DE DICHTER ACHTERBERG

Hij tilde zich hoog boven zichzelf uit en masseerde de lucht die opnieuw geest werd, de geest die opnieuw stof werd, de stof die een nieuw mens werd. Minder dan een pink van poŽzie voldeed om de aarde op te lichten en ťťn blik in de verte
om een stad te doen oplichten in de verte.

Eens was hij oud als hout.

Nu is hij, weer jong, een rekenend en denkend paard dat de berg opdraaft.

Tillen = oplichten = illumineren of verzinnen = licht worden dichten. In dezelfde bundel staat nog eens: hij, oplichter, (lichter en

dit nu is de macht van het woord (als een hoed); een Stetson kent geen jaargetijden

en in het meest principiŽle gedicht, Synteties gedicht,

en o, waar hij gaat, waar hij zijn 1-dagshoed oplicht ontmoet hij zichzelf, - goedendag -, spreekt hij zichzelf, - goedendag -.

Het is of je ook Stevens - zonaanbidder en verzamelaar van sombrero's - ontmoet, die schreef:
on your head

no crown is simpler than the simple hair

(To the one of fictive music).

Het lichten van de hoed als dichterlijke daad komt voor het eerst voor in Geboorte-Stad (1958), in het verlengde van eer legio veer- en sprongpassages in Organon (eveneens 1958). Dat is alleen achteraf niet meer zo duidelijk te zien,
want in zijn voortdurend opnieuw geboren verzamelbundels vervangt Polet in:

En juist nog

voor de oevers begonnen te blaffen,
kon ik zien hoe hij binnenstapte

in een man en schaterend
zich afschuddend als een poedel

voor een derde zijn hoed afnam

hoed door pruik, uit angst voor een niet bedoelde woordgrap denkelijk.
Datzelfde gebeurt in Organon II (voor het eerst verschenen
I
in Illusie & illuminatie, maar geschreven van 1958-1960) in het gedicht Beelding:

Ik lach. Ik neem mijn pruik af:
het is mijn overtuiging.

De eerste (nu) zichtbare hoed die plotseling afgaat zit in het titelgedicht van Lady Godiva op scooter (1960); daarin neemt een geprikkelde direkteur van de Universiteitsbibliotheek zijn hoed af 'om zich de literatuur van het voorhoofd te wissen'. Maar hij is geenszins de hoofdpersoon of een van
de schaduwlopers van Polets man in het centrum. Het gaat natuurlijk om de voortrazende dame en de bokkerijderssprongen die met haar gebeuren:

De wind die ontspringt in een bloem
wordt een kunstzinnige bloem in je haar.

L'amour la poťsie - dat is duidelijk, maar de bundel is eigen lijk niet zo vernieuwend. In de eerste poŽzie ging het om een bruuske aanloop, een krachtige afzet, zonder te weten waar de sprong terecht zal komen, even 'naveren'

en toen? ja, toen,
zei hij aarzelend, toen

(Journalistiek)

maar in Lady Godiva is er zekerheid van bereik, het bed is gespreid. De naakte werkelijkheid ligt te gemakkelijk voor de hand, niet zo ongrijpbaar als The paltry nude starts on a spring voyage.
Tot zover deze terugblik en rekonstruktie van een poŽtisch programma met feesthoeden, changementen, travestieŽn en akrobatische sprongen.
Dat alles komt pas helemaal goed op z'n pootjes terecht in de virtuoze lange gedichten van Illusie & illuminatie. Het titelgedicht besprak ik al, maar nog fascinerender is Stad onder hoed, een van de langste gedichten in het hele werk; ik noem als kontrast ook het allerkortste: stilte / een ontplofte hond. De titel werkt als refrein, komt vijf keer voor en deelt een verhaal in fasen in:
1 de stad heeft het zeer warm, er is zuurstof
gebrek
II snelheid en jeugd worden gearresteerd; een
karakterloos karakter (meneer x) ontmoet
een kleurrijk en karakterrijk karakter
(meneer x), wat weinig goeds voorspelt
III hij (dat is een halve x of hun synthese)
vlucht
IV hij reist door de tijd en botst op allerlei auto
riteiten: God, vader, militairen, statistici
V hij staat alleen, kaal en met hoed op, tussen
onthoofde denkbeelden en schoudervulling
gen en haarstukjes, kortom tussen onechte
mensen ; en dan komt deze comedian as the
letter c - 'alsof de hele wereld onder een
vriesdun c-vlies ligt' op een helder idee: hij
smeekt om zon en

Tilt
zijn hoed op
lucht,
schedelruimte,
wind.
En zie,
het is of plotseling
over de stad,
een stad van
vlees, been, steen
een losse, onthechte
glimlach
passeert,
een ontsnapte Iichtvlaag,
windkracht 8.

Een binnenwereld en een buitenwereld zijn beide beneveld, er lijkt geen doorkomen aan, de atmosfeer is verstikkend, geen ruimte voor kreatieve ideeŽn,

Who can think of the sun costuming clouds When all people are shaken
Or of night endazzled, proud, When people awaken And cry and cry for help?

(A fading of the sun)

Er staat maar ťťn ding te doen - in dit gedicht of in Celans Fadensonne - de eigen verbeelding, imagination, het werk laten doen, liederen zingen 'jenseits der Menschen', de zon stormenderhand binnen bereik krijgen. Geboorte-Stad, hoe goed die bundel ook is, bleef nog beperkt tot een individuele werkelijkheid, ondanks alle metamorfoses. In Stad onder hoed gaat het om dingen in en boven het eigen hoofd, verandert de man niet in een ander maar in zichzelf en bevrijdt zo ook zijn medebewoners van het ondermaanse.
Die man doet niets spektakulairs, hij geeft alleen zijn gedachten de ruimte en in ťťn ondeelbare sekonde is de wereld veranderd, hopelijk niet ins blaue hinein.

His self and the sun were one
And his poems, although makings of his self, Were no less makings of the sun.

It was not important that they survive.
What mattered was that they should bear
Some lineament or character.

Some affluence, if only half-perceived, In the poverty of their words, Of the planet of which they were part.

(The planet on the table)

Stevens schreef dit gedicht tegen het eind van zijn leven. Polet heeft nog meer op zijn programma.

print deze pagina print deze pagina