FRAGMENT (deel 1)


Een geschreven leven
MEER INFORMATIE
deel 1
deel 2
deel 3



Amsterdam was na enkele jaren voor mij een ingeleefde stad geworden, een stad die zichzelf steeds meer had ingevuld en die een van de weinige leefbare steden in Europa zou blijven. Stad waar ik mij thuis voelde en waar ik thuis hoorde: mijn geboortestad, met terugwerkende kracht, en ik werd met terugwerkende kracht een geboren-Amsterdammer. Behalve een aantrekkelijke culturele stad was Amsterdam ook een overzichtelijk-chaotische stad, een waarin je verloren kon gaan én jezelf zonder veel moeite kon hervinden, een soort hergeboortestad dus; je trof er je eigen projecties in aan in de vorm van bestaande & veelzeggende symbolen; praktisch alles kon als symbool dienen, al was het maar van zichzelf; en bijna automatisch werd alles tot symbool als je erover ging schrijven, zeker in de poëzie. En toen ik er eenmaal over begon te schrijven en mijn taalfiguren en hun activiteiten, plus mijzelf erin onderbracht, bleek dat ik me er volledig in kon uitleven, op een manier zoals mij nergens anders natuurlijk of denkbaar leek. Ik begon uitzinnig veel van die stad te houden en net als voor een hergeboortebaby werd de realiteit letterlijk en woordelijk een beetje van mij: bewustzijnsstad. Een stad waarin alles kon plaatsvinden, in heden en verleden, waarin zich alles dagelijks voor mijn verliefde ogen transformeerde, metamorfoseerde en waar alles in elkaar over gleed. Die stad kwam centraal te staan in bijna al mijn proza en in vrijwel alle langere poëziecycli.

De stad waar wij in huis zijn

is een gedenksteen vol leven
is een geboortestad.

is een geboortestad van
wit gehoorsteen.

ik ken de stad, zij is goed. zij is
welluidend van leven, ik ken haar

zij is goed, zij is
beminnelijk middeleeuws

van zien, van zien
kent zij geen kwaad,

geen goed geen kwaad, want
alle dingen staan er voor

andere dingen en alle dingen
zijn mij en mijn schaduw

even goed.
(...)

('Proloog', uit Geboorte-Stad, 1958).


Toen ik de dieptethema's eenmaal aangeboord had begonnen de vondsten toe te stromen. Ik deed soms wekenlang niet anders dan noteren, noteren, de uitwerking en definitieve vormgeving kwamen later wel. 's Nachts lag naast het glas water een notitieboekje en een potloodstompje; in het donker schreef ik blaadjes vol met kernwoorden, trefwoorden die ik de volgende ochtend ontcijferde en uitwerkte. Kon ik het gekrabbel niet meer duiden dan inspireerden de geheimtekens wel tot een andere vondst of dichtregel. Runen scheppen poëtische runen, alles kan als aanleiding dienen voor poëzie als de poëtische potentie er is. Pas veel later, toen ik overdag zoveel kon werken als mijn creatieve energie toeliet, leerde ik meteen in te slapen, mijn bewustzijn blanco te maken, daarvóór hielden de vondsten mij urenlang wakker.
Door de toevloed van het materiaal was het voor mij een dwingende noodzaak bijtijds te leren kappen en de zelfbeperking die ik me probeerde op te leggen kwam nu eerder voort uit een gevecht met een teveel dan uit onmacht, wat evenzeer uitputte. Anderzijds was ik, vooral in het begin, niet helemaal zeker of de vondsten wel optimaal waren en of ik uit de vele mogelijkheden wel de juiste koos. Als je met de eerste de beste inval genoegen nam hield dit dan niet in dat je een betere blokkeerde, en waarom was dit de beste oplossing? Vaak schreef ik wel tien varianten op alvorens definitief te kiezen, waarna meestal bleek dat de eerste vondst de beste was.
Het heeft enige tijd geduurd voor ik mij aan de trefzekerheid van mijn intuïtie (of wat het dan ook is) durfde overgeven, maar die was dan inmiddels ook door de nodige oefening gescherpt. Eén ding heb ik gelukkig nooit gekend en zal ik waarschijnlijk ook nooit kennen: de angst droog te staan. Integendeel, altijd liggen er zoveel plannen, ontwerpen, onuitgewerkte vondsten, dat ik wel tien jaar of langer vooruit kan als ik in een cel opgesloten zou worden. Het is één voortdurend kiezen wat ik het eerst aan zal pakken en wat voorlopig moet blijven liggen. Mijn probleem is altijd energie, niet tijd.

Terug naar Amsterdam, brandglasstad met een zwervend centrum, waarnaar ik nog steeds op zoek ben, een brandpunt waar ik in al nauwere kringen omheen cirkel en waar zich de moderne wonderen afspelen, wonderen-van-verbeelding, als ook plotselinge, bijna onmerkbare veranderingen, in jezelf of in de dingen.


(...)
Op weg naar het Leidseplein
werden de dingen anders.

een agent als een semantische engel
illumineerde ons met een mantra.

van nu aan is extase een stoel, mens,
zei hij en de stoel waarin gij zit

een doel. er zijn mensen, zei hij, als melo-
dische kathoden, er heerst een nieuwe stroom;

ginds werd een eerste spier geplant, hij
rimpelt nog steeds, maar aan de overzijde

vindt elk voor zich voldoende van hetzij
alleen maar geurig of geladen

water, denksel voor wat hij wenst,
spiersel voor wat hij wil.
verder staan


witte gehoorstenen bij een fontein
te zoemen wat gehoord wil zijn.


En bijgod, hakkelde mijn kennis,
na amper twee minuten gleed ik

door lege ademloze kwintengangen
op een beweeglijk plein. er véérden

spieren en er wáren klankstenen, zaaddiertjes,
ogen, cirkelend in een eigen atmosfeer.

tussen echobomen, sterke chemische
insecten en bloedbloemen wrong ik mij

dieper in het centrum door.

en dit was nog niet alles, ook
van de schaduwen die er liepen

zwierven diverse om één enkele man.
ik dacht: dit is een zon, het was een man

die uit zijn schedel jongde; hij verleende
zijn dier een naam, de naam

was zon. daarna begon
het ploffen door mijn tipgever vermeld.


Temèt een jasknoop ging aan 't cirkelen
en werd een iris, een lamp

een lichtende psychoon, de tram een droom
die fosforachtig straalde en bewoog

als in een droom, een hand een hond een
avondbom van groen die sprong en sprong, kortom

het leek of alles gonsde alles zong,
alles stigmatisch werd, en wit, en blind.

en nog was het niet voorbij.
een hij, een zo-maar-één, voorheen

een standbeeld van bedwang: het ging
aan 't veren, langzaam veren, sneller

sneller sneller, er verscheen
een OOG, bijgod, één enkel oog ter hoogte van

zijn hartstreek, als een hart, een zon,
ook al een zon zo groot

en duizelig en mateloos
energisch. toen dìt sprong

ineens het sprong en boog zich iedereen
van pijn en vreugde tegelijk.

ook ik, en toen

(...)

('Journalistiek', uit Organon, 1958)


[...]

Ik leefde in die tijd in een scheppingsroes, de eerste langdurige na het eerste deel van Verboden Tijd (1964). Behalve aan veel poëzie van uiteenlopende aard (stijl)chronologie is bij mij vaak schijnbaar werkte ik gedreven aan De steen, een sprookjesroman. De uitgever die mijn eerste dichtbundel had uitgegeven vroeg me om een 'kinderboek'. Ik kreeg een idee en begon te schrijven. 'Thema: een mobiele steen met een goudadertje, die van de Incatijd tot heden door een aantal historische tijdperken rolt en verzeild raakt in allerlei antropomorfe situaties. Een steen doen leven en voelen, dat was pas een opgave. Ik werkte er met een enorm plezier aan en de vondsten buitelden over elkaar heen, zoals ik soms van louter hilariteit over mijzelf heen sprong op straat. In De steen schreef ik me als het ware nog verder los; los van 'alles'. Bovendien leerde ik er in technisch opzicht veel van. Bij het reviseren voor een herdruk was ik zelf verrast hoeveel stijlmiddelen en literaire kunstgrepen er al in verwerkt waren die ik later in mijn 'volwassen' boeken zou toepassen en verder dingen als: cirkelbewegingen, transformaties, parallellen, (ongewild optredende) structurerende symboliek enzovoort. Daarnaast probeerde ik bewust ook voor het proza in praktijk te brengen wat als vanzelfsprekend voor poëzie gold: veel aandacht voor de taal, woord voor woord schrijven wat de lezers woord voor woord, beeld voor beeld moesten opnemen (:'lezen wat er staat', niet meer en niet minder), kortom, het woord aan zijn woord houden. (Karl Kraus: 'Die Sprache beim Wort nehmen'.)
Pas naderhand drong het tot me door dat in deze sprookjesroman op een speelse wijze iets van het Grote Idee gerealiseerd was: een tijdelijk onsterfelijke die de geschiedenis doorloopt onsterfelijkheid in de vorm van een steen (al stierf de steen toen hij vanwege zijn goudadertje gesmolten werd), waardoor het Idee als het ware op trojaanse wijze binnengesmokkeld werd. Onsterfelijkheid laat een mens niet los als hij er eenmaal aan genipt heeft, al is het een tijdelijke. Maar in de eerste plaats was het een humoristisch boek, het meest lichtvoetige dat ik ooit zou schrijven. Wie schetst dan ook mijn verbazing toen bleek dat sommige critici er precies het tegenovergestelde in aantroffen van wat ik meende dat er in zat. De een vond na het boek eerst volmondig geprezen te hebben dat het bij gedeelten te veel fantaseerde 'zonder van de grond te komen'(!), en hij besloot met het boek van harte aan te bevelen voor onderwijs 'in de levensschool' aan 'volwassen kinderen en onvolwassen ouders', zoals ik zelfde categorie lezers noemde waarvoor ik het geschreven had.
Prisma-Lectuurvoorziening vond dat 'de schrijver er wel in slaagt de steen een eigen karakter te geven'(!), maar concludeerde toch dat het verhaal 'te weinig om het lijf heeft om voor aanschaffing door openbare bibliotheken in aanmerking te komen'.
Veruit de meeste recensies waren echter lovend. Toch besloot ik enkele jaren later uit zelfbehoud de meeste recensies over mijn werk niet meer te lezen. Alleen masochisten lezen alle recensies en helaas behoren daartoe bijna alle schrijvers.
Inmiddels was De steen geen verkoopsucces gebleken, terwijl ik er toch op gehoopt had. Toen ik nog even doorging met het schrijven van sprookjes, meer nog misschien omdat ik het leuk vond dan vanwege het geld, werden ook deze als te gedurfd beschouwd en niet geschikt geacht voor kinderen, hoewel alle kinderen die er mee kennismaakten er geen enkele moeite mee hadden; maar zoals zo vaak wisten de 'experts' het beter. Gevolg: De man die een hoofd groter was , een bundel waar ik zelf erg aan gehecht was, werd pas in 1971, toen sprookjes in de mode waren, voor 't eerst gepubliceerd door een volwassen uitgeverij, nadat een stuk of vijf, zes typische kinderboekuitgeverijen het boek hadden afgewezen. De bundel verscheen later nog als Bulkboek in een oplage van 110.000 exemplaren en daarna in een verzameluitgave.
De steen en Klein Kareltje wordt keizer, een kinderboekje dat ik in hetzelfde jaar als De steen schreef, zijn de enige boeken waarvan ik mijn ouders ooit een exemplaar heb gegeven. (Auteur geeft ouders uitsluitend kinderboeken!) Van mijn gedichten noch van mijn proza begrepen ze iets en ik had besloten om ze de confrontatie te besparen met dingen die hen zouden ergeren en die hen in hun overtuiging zouden sterken dat ze me later 'in de hemel niet zouden ontmoeten'. En het moet gezegd, ze hebben mijn boeken ook nooit stiekem gekocht of in de boekhandel ingezien voor zover ik weet, al waren ze verguld met goede recensies, als ze die onder ogen kregen.
Wel had mijn moeder al eens eerder, ik meen meteen na de publicatie van Demiurgasmen, gevraagd waarom zij geen exemplaar kregen. Waarop ik zo omzichtig mogelijk mijn redenen uiteenzette en zei dat ik wist dat ze zich aan sommige dingen zouden stoten. Waarop mijn moeder: Waarom schrijf je ze dan? Wat mij bijna met stomheid sloeg. Op een wat koele toon deelde ik haar toen mee, dat ze het waarschijnlijk niet zou begrijpen maar dat ik mijn boeken niet in de eerste plaats voor haar schreef of er bij voorbaat rekening mee hield dat zij ze onder ogen zou krijgen. Ze begreep het geloof ik inderdaad niet en achteraf betwijfel ik of ik het wel zo gezegd heb.
Nadat ze de twee sprookjesboeken wél gekregen had, vroeg ze nog een paar maal: Wanneer verschijnt er weer zo'n leuk boek als De steen? Ik had haar, ondanks haar enorme bemoeizucht, graag een ander boek van mijn hand gegeven, maar toen De man die een hoofd groter was verscheen was ze overleden.


[...]


Te kort aan tijd. Tijd. Tijd. Een jaar tevoren had ik Breekwater weer opgenomen. Het plan was twee jaar blijven liggen (ander werk, poëzie, Noorwegen, de Canarische Eilanden, toneel). Ik kon alleen in grote blokken werken en pas aan iets nieuws beginnen wanneer het andere klaar was en mijn hoofd compleet schoongeveegd.
Eenmaal hernomen ontwierp het boek voor een deel zichzelf, zoals ieder geïnspireerd werk dat doet; het groeide tijdens het schrijven, zij het soms langzaam & moeizaam, en dan weer groeizaam.
De grens tussen denken en gedacht worden, net als tussen schrijven en geschreven worden, is soms nauwelijks te trekken en meestal vallen ze samen. Het 'ontwerpen' is en blijft een proces en hoeveel mentaal werk er ook aan te pas mag komen, het is nooit een louter rationele activiteit, zo deze al bestaat. Dit denken, en in wezen alle oorspronkelijke denken, is meer een fladderend, vleermuisachtig voelen en aftasten, een schoksgewijs vooruit denken; controle volgt achteraf.
Geef je hieraan over en het voornaamste komt er wel te staan zonder dat je je daar al te veel om hoeft te bekommeren; de vorm ontwikkelt tot op zekere hoogte zichzelf uit wat reeds gedacht en geschreven is. Wel waren er enkele dingen die ik wílde, behalve dan het minutieus volgen van de hoofdfiguur. Het was de begintijd van de Franse nouveau roman waarover ik wel het een en ander gelezen had en uit wat ik erover gelezen had wist ik dat ik dat niet wou. Wat ik mij voornam waren schrijftechnische zaken als: geen antwoorden laten geven op vragen wanneer dit niet nodig is; het stellen van de vraag is het belangrijkste en maakt het antwoord vaak overbodig. Van daaruit het procédé doortrekkend: veel wit en stippeltjes, al het overbodige weglaten er is veel redundantie in de wereld en nog meer in de wereld van de literatuur -, de essentie uitlichten, overbelichten, en een fragmentarische methode. Verder de nodige bevreemdingsof vervreemdingseffecten toepassen, verbroken tijdlijnen, ruimtelijke ontregelingen, het spel van identificatie en de-identificatie, speelse metamorfoses en de nodige andere literaire kunstgrepen. Enkele van de stijlmiddelen waarvan ik dacht dat ik ze als eerste toepaste, kwam ik veel later tegen bij de Russische schrijver Bjely, de 'Russische Joyce', van wie ik de indrukwekkende roman Petersburg las. Nog later ontdekte ik hoeveel soortgelijke procédés achttiende-eeuwse schrijvers als Sterne en Jean-Paul al hadden gebruikt. Hoe dan ook, Breekwater had de gedurfdheid en losvingerigheid van de eersteling, ten dele uit argeloosheid. Die losvingerigheid en onbekommerdheid dreigt iedere schrijver na zijn eerste boek te verliezen, reden waarom het tweede boek na een geslaagd eerste werk nogal eens teleurstelt.
Breekwater: de werkelijkheid en onwerkelijkheid van het bewustzijn, als literatuur, en omgekeerd, literatuur als (de) werkelijkheid. Alles wat in het boek gebeurt vindt op hetzelfde realiteitsniveau plaats: dromen, fantasieën, beschrijvingen, herinneringen (van herinneringen), binnenpraat en buitenpraat; de heer Breekwater sterft tweemaal en leeft gewoon verder, laat zich aansporen tot een realistisch aandoende gedroomde inbraak in zijn eigen kantoor, is aanwezig in een door een andere romanfiguur verteld verhaal enzovoort. Zo werkt ons bewustzijn ook in het dagelijks leven en ikzelf heb Breekwater, evenals mijn andere boeken, altijd als 'realistisch' ervaren.
Inhoudelijk spelen doodsangst en weerzin tegen het ouder worden een belangrijke rol, daarnaast sociale onmin, onvrede met de wereld zoals die door onze ouders aan ons was overgedragen en door onszelf niet was verbeterd: de koude-oorlogswereld.
Voor 't eerst dook er ook een zekere Lokien op, die als een rode-figuur door al mijn prozawerken heen zou gaan lopen en die als een wandelende katalysator allerlei processen op gang brengt, kettingreacties veroorzaakt, metamorfoses doormaakt. Ik schreef dit laatste, in een iets gewijzigde vorm, in een interview met mijzelf, afgenomen door mijn romanfiguur L. Perdok = Lokien P en nu pas zie ik, door die afkorting, dat het ook weer de P is van Polet, hoewel de naam, zoals alle namen in mijn werk, is gekozen uit een groot aantal neergekrabbelde of uit het telefoonboek genoteerde achternamen.
Lokien werd geïntroduceerd als de tegenspeler van een ouder wordende heer Breekwater; het was geen autobiografische figuur, zoals sommigen meenden, en zelfs niet een op wie ik in wezen erg gesteld was, al ontging mij natuurlijk niet dat ik een paar van mijn eigen identiteitsconflicten en idiosyncrasieën in hem ondergebracht had, soms in verhulde, getransponeerde vorm; toch was ik enigszins geschokt toen ik naderhand de collegeverslagen onder ogen kreeg van een studiegroep onder leiding van professor Sötemann, die een semester aan twee van mijn prozawerken had gewijd: ik had geen idee dat er zoveel herkenbare elementen in zaten, zoveel geboorteen hergeboortesymboliek de stad bijvoorbeeld is vol geboortewater en het is achteraf nauwelijks voorstelbaar dat de implicaties van de naam Breekwater mij zelf ontgaan waren: het breken van vruchtwater, terwijl de heer Breekwater notabene aan het begin van het boek als volwassene geboren wordt en uit de zee van het plein oprijst als aan het begin der tijden. Veel onbewustheden in deze bewustzijnsroman dus.
Lokien Breekwater. Na het lezen van een aantal analyses van het boek ben ik gaan denken dat je Lokien het beste kunt beschouwen als het realiteitsprincipe van Breekwater. De vele 'aanvallen van Lokien' hebben bewustwording tot doel. Omgekeerd is Breekwater, of liever het complex dat hij vertegenwoordigt, voor Lokien een probleem: dat van ouder worden & volwassenheid, oneigenlijk vaderschap, onechte autoriteit, een wankele zwevende identiteit. Lokien valt Breekwater aan: deze wil zo lang mogelijk zijn eigen zoon zijn, terwijl Lokien zo vlug mogelijk zijn eigen vader wil worden. Maar tweede laag eigenlijk wil Lokien helemaal niet zijn eigen vader zijn, maar de zoon van. Daarvoor heeft hij een vaderfiguur nodig waarmee hij zich kan identificeren. Door middel van achtervolgingen, reusachtige overdrijvingen, dwang tot identificatie en de nodige literaire kunstgrepen probeert hij Breekwater hiertoe te dwingen. Hij drijft hem zelfs, bijna in slaapwandeltoestand, het bed van zijn minnares in om geboren te kunnen worden. Maar helaas, Breekwater krijgt uit nervositeit of anderszins een aanval van impotentie, dat wil zeggen ook weer 'een aanval van Lokien', de ambivalente schrijver in wording.
Breekwater af naar huis. Maar ondertussen ontbreekt in deze psychologische analyse de complexiteit van het literaire avontuur. Dat is het gevaar van een reflecterend geschreven leven.
Studies over je eigen werk lezen is riskant. Heb ik het zelf ooit zo sterk gevoeld? Ik dacht van niet, maar na enige psychotherapie, later, ben ik er niet zo zeker meer van. Heb ik toch diepin al is het maar in een bepaalde periode naar een vaderfiguur verlangd, een autoriteit van wie ik iets had kunnen léren? Want van mijn eigen vader kon ik weinig leren en van mijn moeder wilde ik niets leren. Ook naderhand zijn er perioden in mijn leven geweest dat ik zo vermoeid was van alles wat ik moest verwerken 'Atlas. Die dit schrijft is een atleet: hij, / hij draagt een hoofd op zijn schouder. / Atlas? Bij iedere gedachte wordt hij ouder' dat ik graag mijn hoofd (tijdelijk) in de schoot had willen leggen van een warme, vaderlijke autoriteit, maar zo'n autoriteit kwam ik niet tegen, een moederlijke autoriteit trouwens evenmin. Waarschijnlijk ben ik daarom, in sommige opzichten, te lang onvolwassen gebleven. In andere opzichten hoop ik het nooit te worden.

Ironie: na verschijning van Breekwater (in 1961) werd druk over de inhoud gespeculeerd, want vooral in die tijd was men bij ons gewoon alle literatuur op het persoonlijke vlak te bezien of als neerslag van hyperpersoonlijke ervaringen, ondergebracht in de hoofdfiguur. Sommigen meenden dat ik Lokien, anderen dat ik Breekwater was. Alsof ik die laatste figuur ooit zo uitgebeeld zou hebben wanneer ik zelf potentieproblemen had gehad! Was ik niet 33 jaar toen ik aan het boek begon en 35 toen ik het hernam?
Kort erop, tijdens een van de geanimeerde bijeenkomsten van het Actiecomité Schrijversprotest, zegt Harry Mulisch te hebben gelezen dat iedereen zich fixeert op een bepaald leeftijdsstadium. Meestal ligt dit ver voor de eigenlijke leeftijd. Wat is het bij jullie? vraagt hij nieuwsgierig. We denken diep na, vragen hem overigens eerst hoe hij zichzelf ziet. Waarschijnlijk als baby'tje-op-witschapenvacht. Hij doelt op een tafereel uit een autobiografisch prozawerk dat hij onlangs gepubliceerd heeft en een foto ervan is op de televisie te zien geweest. Criticus Hans Gomperts knikt nadenkend-bevestigend en meent dat hijzelf nog steeds de jeugdige student is. En ik? Ik weifel, voel mij niet zo erg aan een leeftijd gebonden, maar als ik moet kiezen dan misschien de leeftijd van mijn Lokien-figuur in Breekwater. Dus niet érg veel jonger dan ik ben, meer een volwassen onvolwassene dan het omgekeerde. Enkelen knikken weer nadenkend. Als ik zelf niet weet wie ik ben, hoe zullen anderen het dan weten?

Enkele boeken later mijn persoonlijke tijdrekening heeft vertaler Ernst van Altena zijn nieuwe zeilboot Breekwater genoemd. Hij zal me eens uitnodigen voor een tochtje op het IJsselmeer. Ik verlustig me bij voorbaat in de symboliek: ik dobberend op een reusachtige plas vruchtwater, geborgen in een naam van eigen naamgeving. Gelukkig kan ik goed zwemmen, voor 't geval de vliezen barsten.

[...]

Ik heb zo langzamerhand het gevoel dat mijn leven voor het grootste deel uit levende literatuur bestaat, of liever want ik zet mijn leven vrijwel nooit direct om in literair materiaal uit een leven bepaald door literaire gebeurtenissen of verwachtingen, niet alleen met betrekking tot mijzelf: het lukken of niet lukken van een werkstuk, geld of geen geld hebben om te schrijven, het getroosten van opofferingen, relaties in verband met het beroep, de lectuur die je leest enzovoort. Mijn positieve of negatieve gevoelens, mijn stemmingen worden grotendeels hierdoor gekleurd, denk ik, evenals mijn dagindeling.
Ik haat het nog steeds gefotografeerd te worden, meen dat ik heel weinig ijdel ben, terwijl ik mij misschien wel uit gefrustreerde ijdelheid of uit onzekerheid niet laat fotograferen, bang om op een dood beeld gefixeerd te worden, een vals beeld dat ik niet herken als, eventueel geïdealiseerd, zelfbeeld of een te toevallig dan wel voortijdig oudbeeld, dus voor de foto als drogbeeld.

[...]

Het is omstreeks 1973 dat mij gevraagd wordt om een autobiografische schets, als nawoord bij een goedkope herdruk van De steen. Een van de redenen dat ik er tegenop zie en er eigenlijk niet zoveel zin in heb is omdat ik mijn leven niet interessant genoeg vind om te beschrijven. Maar als ik een paar fragmenten geschreven heb valt het me toch wel mee en als ik van verschillende kanten aangemoedigd word ermee door te gaan begint het me zelfs aan te lokken. Ik had de laatste tijd toch al het gevoel dat ik (persoonlijk) in mijn literaire werk iets te weinig aan bod kwam, terwijl de reeds geschreven fragmenten kennelijk in mij de behoefte hadden doen rijzen zij het nog steeds een niet al te sterke om mijn leven op schrift te vervolgen, al was het in fragmentarische vorm. Bovendien was ik benieuwd hoe het er in geordende vorm uit zou zien; welk (verborgen) perspectief erin zat of hoe het in elkaar zou gaan zitten tijdens het schrijvend herleven, dus toch in min of meer literaire vorm.
En dan blijkt dat er op schrift toch wel het een en ander van mijn leven te maken is. Dat dit geschreven leven episodisch is hindert me niet in het minst, noch heb ik het gevoel dat ik mij met een complete 'ander' bezighoud of word ik geremd door de angst die veel schrijvers van autobiografieën koesteren: dat zij hun leven vervalsen door er uit te selecteren en het levens-materiaal naar een latere optiek richten. Wat ik schrijf is mijn leven en mogelijk is wat ik schrijf wel de essentie ervan, en niet wat ik weglaat. Bovendien weet ik niet wát er boven zal komen, precies zoals dit in de literatuur het geval is, waar je pas achteraf weet wat geldt en telt en werkelijk wordt. Wat mij in het begin wel een beetje beangstigde, ondanks mijn therapie, was het schaamteloos blootleggen van (voor mijn vroegere en huidige ik) pijnlijke gebeurtenissen en van de grote, misschien oncontroleerbare emoties die in het kielzog ervan opgewekt zouden worden en zouden moeten worden doorleefd. Maar ook deze angst verdween snel en alle pijnlijke dingen waren niet altijd even pijnlijk meer of verloren, verwoord, een deel van hun prikkel, soms ook in de tijd die volgde, want ook het geschreven of zichzelf schrijvende woord werkt door. (Sommige gevoelige dingen blijven echter pijn doen zolang ze herinnerd worden en kunnen herleven; het belangrijkste is dat de angel eruit is en dit kan alleen als je het verleden waarin ze thuishoren aanvaardt. Pas dan werkt ook het verliterariseerde verleden zelfreinigend. Cathartisch.)

Vooral de eerste tijd noteer ik veel en schrijf een groot deel van mijn 'levensboek'. Het onvermijdelijke vacuüm na De geboorte van een geest (1974) is er heel geschikt voor. Daarna neemt het tempo af en schrijf ik alleen tussen-de-bedrijven-door een paar hoofdstukken erbij, want mijn andere werk vertegenwoordigt nog steeds mijn echte leven; mijn autobiografie is een bijverschijnsel ervan, is bijleven, bijschrijven, een inhaalmanoeuvre waaronder mijn literatuur niet mag lijden. Ik werk er dan ook wel eens maanden achtereen niet aan en soms een halfjaar of langer niet, zonder enig schuldgevoel, wat in geval van de literatuur ondenkbaar is. Enerzijds wordt mijn geschreven leven op den duur een uitdaging ook schijftechnisch , is het een emotioneel bad op lichaamstemperatuur, anderzijds wordt naarmate het boek vordert en de tegenwoordige tijd nadert de distantie groter tot wat reeds geschreven is en komt het geschrevene, bij herlezing, toch weer op mij over als literatuur, zij het een heel persoonlijke; alleen het recent geschrevene is het nog niet.
En onvermijdelijk begin ik mijzelf steeds meer in te halen: ik nader mijn heden al dichter & dichter. Het gaat lijken op wat onze vrouwen nu alweer langer dan tien jaar meemaken: het als 'modern' herleven van de mode van vroeger, moderniteit met een hedendaags bijsmaakje. 'Zijn eigenlijke verleden lag voor hem. Dat moest hij zien in te halen. Vlug vlug.' (Verboden tijd) Nee, langzaam vertraagd, tot het zijn uitgerekte heden bereikte dat zich in de toekomst uitstrekte als toekomstig verleden.

[...]

Wat ik mij aan leven bijeengeschreven heb is van geen belang meer op het moment dat ik het geschreven heb. Al schrijvend ook het schrijven schrijft zich telde het.
En telde méér & meer.
Ook de tijd telde. De tijd telt zich en telt zich uit.
Literatuur: geschreven tijd. Geschreven leven. Zolang het schrijven schrijft is er tijd, en (matige) hoop. Maar onvermijdelijk schrijft de tijd zich ten einde, wordt afgeschreven. Literatuur wordt mét de tijd uiten afgeschreven.
Literatuur en tijd zijn, nee: literatuur plus tijd ís een geweldige zich ontplooiende bloem, een bloemscherm, een beeld (als een bloemscherm): al bloeiend is het er (erin & eronder) goed en levend toeven, daarna kun je hem/het hooguit drogen en gebruiken als parasol tegen iets anders, zij het niet tegen de tijd. Immortellen: literatuur zonder tijd.
Ik heb nog steeds tijd, en nieuwe bloemschermen. Maar hoe lang nog? Ik leef nu min of meer in een luchtledig, een zo goed als luchtledig, en het gáát. Met voldoende weerstand of vitaliteit en weinig lichamelijke pijn laat een luchtledig zich vullen, met anders gefaseerde werkelijkheid, in verschillende mate van dichtheid, schimmen & schaduwen in alle graden van concreetheid. Soms is iets er en soms is het er tegelijkertijd niet. Soms ben ik er en soms ben ik er tevens niet, maar meestal wel & wel.
En schrijven? Ik heb me vergist. Schreef eerder: schrijven is één voortdurend worden, is al schrijvend worden; maar schrijven is ook zijn, dwz. geschreven-zijn. Het blijft en consolideert zich, als een langzaam stollend huis, een huis van bioplasma. Worden, levend en schrijvend worden, bouwt daarop voort: op een gegeven moment wordt wat geleefd & geschreven is een onderdeel van het zijnde, het wordende deel ervan, dat voortkruipt en zich uitstrekt als een verbale lintworm, terwijl misschien vroegere taalsegmenten afsterven en misschien niet. En zo door, tot het einde, of tenminste tot zolang je kunt blijven schrijven. (Denk ik.)

print deze pagina print deze pagina