Pilnjak - Musil - Beckett

Schrijvers als lezer
Sybren Polet

Het is me niet mogelijk om één enkel boek of één schrijver te noemen die me meer dan enig ander getroffen heeft. Het waren iedere keer weer andere en wie in zijn hoofd een enigszins gevarieerd literair leven leidt zal de keuze niet makkelijk vallen. Drie van de oudere auteurs die me de laatste vijf, acht leesjaren erg geboeid hebben zijn Boris Pilnjak, Robert Musil en Samuel Beckett met een tot dan toe ongelezen werk. Pilnjak is in Nederland nog steeds een vrijwel onbekende, terwijl hij toch met de iets oudere Bjelyj tot de grootste schrijvers behoort, niet alleen van Rusland maar van de hele westerse literatuur. Niemand heeft de eruptie van de Russische revolutie en de sociale beweging en tegenbeweging die er het gevolg van waren treffender in taal gevangen dan Pilnjak; hij ontwikkelde daarvoor nieuwe literaire procedés en een facettenoog dat speciaal geschikt was om de bewegelijke, chaotische werkelijkheid waar te nemen. Zijn werk is dan ook flitsend, fragmentarisch, kaleidoskopisch.
Van zijn twee hoofdwerken is Het naakte jaar(1922) het meest lyrische en komt nog steeds als verrassend nieuw over, Machines en wolven (1925) beschrijft bredere kringen en vult meer realistische werkelijkheid in, maar beide zijn even briljant geschreven. (Beide boeken zijn nooit in het Nederlands vertaald en ze zijn momenteel ook niet meer in Duitse, Franse of Engelse vertaling te krijgen, tenzij men nog een Amerikaanse herdruk van The naked year op de kop kan tikken).
Het lijkt wel of de brede, alomvattende greep op "de" werkelijkheid vooral aan auteurs uit de twintiger jaren is voorbehouden (Joyce, Dos Passos, Döblin, Pilnjak, iets later Faulkner): een nieuwe, nog te "beheersen" buitenwereld inspireert daartoe en daagt uit tot het scheppen van een nieuwe bewustzijnswerkelijkheid, een nieuwe vormwereld. In Robert Musil's roman der romans Der Mann ohne Eigenschaften (ruim duizend pagina's en dan nog eens een kleine duizend pagina's postuum gepubliceerde fragmenten, notities, etc.) wordt eveneens een hele wereld verbeeld, zij het in dit geval een oude, desintegrerende, die van het Middeleuropese Habsburgse rijk en het Duits-Oostenrijkse taal- en cultuurgebied. Het werk, waarvan deel 1 en II in het begin van de dertiger jaren verschenen, was in de periode waarin het ontstond qua onderwerp en stijlvoering al een tikje "achterhaald" door de tijd - Musil zelf ervoer het ook zo -, maar dan wel â la manière de Bach, wiens muziek door zijn modebewuste zonen weliswaar zeer hoog werd geschat maar ook als verouderd werd beschouwd. De klare, afgewogen en soms wat paternalistische stijl past trouwens goéd bij het onderwerp: inventarisering én kritisch-essayistische formulering van een voorbije wereld, waarin overigens de nieuwe tendenzen al zichtbaar, respectievelijke blootgelegd worden. En ondertussen glijdt die wereld, terwijl je leest, op een ongehoord intense manier aan je voorbij: staatkundig, politiek, filosofisch, ecönöinisch, cultureel, artistiek, militair; een bewustzijnswereld zo gecondenseerd en goedgeformuleerd dat hij je aandacht geen moment los laat en jehem praktisch in maximen zou kunnen citeren.
Een boek van dit formaat en met zo'n veelomvattend spectrum aan denkactiviteiten zal waarschijnlijk nooit meer in de privégreep van één mens - een man - gehouden kunnen worden. Een triomfantelijk eindpunt, onaf. Ik moet er bij zeggen dat ik pas bij herlezing goed de smaak van het werk te pakken kreeg en dat ik er bij eerdere pogingen geen vat op kreeg of het boek niet op mij.

Een volstrekt tegenovergestelde benadering van wereld en subject vind je bij Beckett; de wereld wordt als het ware tot zijn essenties teruggebracht, tenminste tot de essenties zoals het subject die ervaart en dat is in dit geval zowel Beckett als zijn hoofdfiguren. In het begin zijn dat nog personen, daarna gaan deze al vrij spoedig over in onpersonen met on-menselijke nameti, of soms alleen nog maar door een letter aangeduid, en vervolgens in volledig geabstraheerde taalfiguren. Vreemd genoeg is een van Beckett's vroege romans, Watt, vrij onbekend en ook niet in het Nederlands vertaald, terwijl het boek toch tot zijn beste en boeiendste werk behoort. De figuren zijn ten dele al aan de reële wereld ontstegen en bestaan alleen in de literaire werkelijkheid, maar ze spreken nog onze taal, in dialogen nog wel. Watt is sterk absurdistisch en bezit een humor die op mij onweerstaanbaar werkt. "My name is Spiro", said the gentleman.
Here then was a sensible man at last. He began with the essential and then, working on, would deal with the less important matters.

Na Molloy zal Beckett zijn (taal)vermageringsproces steeds verder doorvoeren en tot het/zijn ultieme eindpunt voeren: bijna stilte, taalstilte. Dit betekent dat andere schrijvers dat niet meer hoeven te doen. Ze kunnen nu hun eigen begin zoeken en naar hun eigen ,,essentiële" eindpunt toewerken, zoals het behoort, ook al zou dit eindpunt min of meer in dezelfde richting liggen; en onder voorbehoud natuurlijk dat de een of andere realistische situatie er niet een voortijdig einde aan maakt.

Uit:
  • De Volkskrant, 3 mei 1980

    print deze pagina print deze pagina