SYBREN POLET
Pseudoniem van Sybe Minnema.
Schreef ook onder pseudoniem Lokien Perdok
Geboren: Kampen 19 juni 1924

Het gebruiken van een andere naam of andere namen duidt in veruit de meeste gevallen op een zekere gespletenheid of het benadrukken van een andere identiteit. Nu is dit niet zo verwonderlijk, want de meeste mensen hebben twee of meer zielen in hun borst, zoals we al heel lang weten: het zou eerder abnormaal zijn als het niet zo was. Het hangt er alleen maar van af tot hoever je die andere identiteit of identiteiten wilt ontwikkelen; het schrijverschap, vooral van prozaïsten berust er min of meer op, ik bedoel op de exploitatie van die verschillende ikken.
Natuurvolken vonden het heel normaal om meerdere namen te hebben, waaronder een dagnaam en een geheime naam die niemand mocht weten. Ze kenden die geheime naam alleen zelf en als iemand hem toch te weten mocht komen zouden ze hun zelfstandigheid verliezen. Het bezit van zo'n naam was vooral voor slaven van groot belang: hij vertegenwoordigde hun eigenwaarde; het was een soort vrijnaam, die niemand hun kon afnemen en die er zeker toe zal hebben bijgedragen dat ze een gevoel van eigen identiteit, hoe gering ook, hebben kunnen behouden.
Een pseudoniem of schuilnaam is min of meer zo'n vrijnaam, of hij is dit in het begin. Het gebruik van een pseudoniem wijst erop dat iemand sommige funkties in zijn leven gescheiden wil houden. 1k heb dan ook nooit goed begrepen waarom bloemlezers het vrijwel zonder uitzondering hun taak achten de andere naam te vermelden. Je zou denken: als de schrijver/dichter zelf anonimiteit wenst te handhaven, wie ben ik dan dat ik die zal opheffen? Maar nee hoor, het is alsof ze van een zekere trots vervuld zijn dat zij het geheim weten en soms zit er ook iets van de ontmaskeraar in: jij denkt je ongestraft schuil te kunnen houden, maar ik zal je wel uit je nest rokcn. Ik herinner me dat ik dit onbehagelijke gevoel had toen Ad den Besten de bur gernaam van enkele in de jaren Vijftig publicerende dichters vrijgaf, onder andere van Guillaume van der Graft, Hans Andreus, Lucebert en mij.
In ieder geval gold ook voor mij dat ik in het begin de behoefte had aan een deknaam of vrijnaam: ik vond dat niet iedereen in mijn omgeving - voor
geval ik enige bekendheid mocht krijgen of bij het onderwijs zou belanden -van mijn schrijverschap op de hoogte hoefde te zijn; het gaf me inderdaad een gevoel van vrijheid. Maar wat vooral sterk meespeelde was dat ik mijn ouders ongenoegen wilde besparen. Ik was opgegroeid in een gereformeerd gezin en ik wist dat ze zich aan de inhoud van wat ik zou schrijven zouden ergeren en dat ze verdriet zouden hebben van de reakties, zoals ze dit ook hadden gehad toen een aantal jaren tevoren openlijk van de kansel in de goede Hanzestad Kampen tegen een vriend en mij werd gepredikt omdat we er afwijkende denkbeelden op na hielden. Inmiddels had ik geruisloos de Vaderkerk vaarwel gezegd en de rest wilde ik hun besparen, te meer omdat mijn vader inmiddels ouderling was geworden, etc.
Een vrijnaam is voornamelijk van psychologies belang en dan alleen in het begin; later speelt het een veel mindere rol en raak je zozeer aan je nieuwe naam gewend dat die tot je eerste naam wordt: hij dekt ongeveer de identiteit van je bestaan, de vroegere naam wordt tot de andere, die alleen aangehouden wordt omdat de belasting, de giro en de bank dat eisen. In mijn paspoort staan sinds jaar en dag beide namen, al moet je er tegenwoordig langer voor vechten om het gedaan te krijgen.
Overigens heeft de genoemde bloemlezing van Ad den Besten nog een rol gespeeld toen ik het bewijs moest leveren van mijn dubbele identiteit op het bevolkingsregister in Amsterdam. Ik nam dus het boek mee waar beide namen in stonden, dat was het gemakkelijkst. De mevrouw achter het loket nam de bloemlezing aan, ging terug naar haar bureau en kontroleerde de gegevens achterin, waarna ze, samen met enkele collega's, tot mijn grote ergenis, tien minuten lang in mijn gedichten bleef zitten lezen. Daarna verscheen ze opnieuw voor het loket met een uitdrukking op het gezicht van:
Laat ik maar doen wat-ie vraagt, want hem sluiten ze binnenkort toch op. Wijkt het identiteitsgevoel van beide namen sterk van elkaar af? Bij mij in het begin nogal, geloof ik, vooral omdat ik de neiging had mijn verleden te ontkennen, terwijl mijn nieuwe naam een open naam zonder verleden was. Literatuur, je literaire persoonlijkheid bevordert dat gevoel van nieuwheid en openheid en verleent je ook een zeker gevoel van onkwetsbaarheid. Later neemt ook dit gevoel af en tijdens het schrijven van mijn autobiografie, Een geschreven leven, had ik steeds meer het gevoel dat ik met mijn oude ik samenviel; het was een soort inhaalmaneuvre, een hergeboorte in het verleden die naar vandaag leidde en dus in feite niets verrassends had, behalve dat het mij verbaasde wat ik allemaal nog wist.
Ondertussen is het ook zo dat de meeste mensen die met je te maken hebben op de hoogte zijn geraakt van beide namen. Daarnaast komt het een enkele maal voor dat vijanden pogen te ontmantelen en je schrijversidentiteit ontkennen door je aan te spreken met je burgernaam. Het is mij een paar maal overkomen, eenmaal bij monde van onze nationale lijkenpikker in NRC/Handelsblad, die mij, naar ik hoorde, meneer Minnema noemde. Nu was het mij een zorg, maar het had mij ook wèl een zorg kunnen zijn. En de bedoeling was duidelijk: ontkenning van mijn schrijversidentiteit - en dat door iemand die zijn eigen identiteit kennelijk aan zijn aanvallen op anderen moest ontlenen, zoals vaker voorkomt.
Overigens voelde ik mij wel in mij pruik gepikt toen ik voor 't eerst las dat misdadigers en andere verdachte personen die onder een schuilnaam leven bijna nooit hun hele vroegere identiteit prijsgeven en altijd een deel van hun naam, hun oude zelf, handhaven, blijkbaar uit angst voor totaal zelfverlies:
dezelfde voornaam of tenminste dezelfde initialen.
Bij mij was het - ongeveer - dezelfde voornaam terwijl ik de andere naam bovendien in de schoot van de familie had gezocht: de achternaam van mijn grootmoeder van vaders kant op wie wij als kleinkinderen erg gesteld waren. Ze had veel gevoel voor humor en stierf helaas veel te jong.
Ondertussen ben ik aan mijn nieuwe naam gewend als was het mijn oude naam en een enkele maal overkomt het mij nog wel eens, bijvoorbeeld in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, dat ik in gedachten verzonken mijn vroegere naam hoor omroepen en ik denk dan soms: Waar bemoei je je mee.
Het mooiste voor een pseudoniemdrager is natuurlijk de komplete omkering. Het is mij enkele jaren geleden overkomen bij het lezen van een doctoraalskriptie over mijn werk. In een verklarende voetnoot stond: 'Sybe Minnema , pseudoniem van Sybren Polet, zo hoort het dacht ik.
Een paar maal heb ik gebruik gemaakt van een tweede pseudoniem om over mijzelf te schrijven: Lokien Perdok, de hoofdfiguur uit mijn prozacyclus, die over de schrijver schrijft. Niet uitgesloten is ook dat ik nog eens een werk publiceer onder mijn oude naam; ik zal dan het gevoel hebben dat ik een pseudoniem hanteer.
Terwijl ik dit stukje schrijf valt mij ineens in wat ik mij om de hoek van mijn bewustzijn als eens eerder heb afgevraagd zonder er verdere aandacht aan te schenken: Hoeveel letters hebben de namen Sybren Polet en Lokien Perdok eigenlijk gemeen? Ik zet de namen onder elkaar en streep af; en tot mijn eigen, niet geringe verbazing blijken het er maar liefst 7 van de 11 te zijn, waarbij de b en de d eventueel als 8-ste genomen kunnen worden, omdat een bilabiaal en een dentaal dicht bij elkaar liggen, de ene op de lippen, de andere er vlak achter.
Wat overblijven zijn voornamelijk de begin- en eindletter van mijn naam S-t en een dubbele k. Het kan geen toeval zijn. (0, 'mutans Romae nomen.' / Oh, 'de andere namen van Roma.')
En weer voel ik mij in m'n kuif gepikt door het psychologiese computertje van mijn (on)bewustzijn dat mij via een anagram verantwoordelijk heeft gesteld voor de verbale daden en verbeeldingsavonturen van mijn hoofdfiguur, terwijl ik altijd nogal afstand van hem had genomen omdat ik me, vooral karakterologies, niet met hem kon identificeren; ik was hem niet, noch mij (ik). Maar blijkbaar was hij toch tot grote hoogte Polet: om precies te zijn 7/11 of 8/11. En zo zie je maar weer: de auteur wikt, zijn brein beschikt.

Uit:
  • Wim Hazeu; Het literair pseudoniemenboek.
    Amsterdam, 1987.
    (De Bijenkorf)

    print deze pagina print deze pagina