DE AUTONOMIE VAN HET KUNSTWERK



in: Biografie bulletin Jaargang 6, 1996

Ten geleide
In 1993 verscheen Sybren Polet's boek De creatieve factor, een studie over het creatieve proces bij schilders, dichters en prozaÔsten. Een opvallend boek van een auteur die altijd werd ingedeeld bij het kamp der 'autonomisten'. Voor Polet is het creatieve proces inderdaad een autonoom gebeuren, maar ook hij vraagt in zijn boek aandacht voor het leven van de kunstenaar: het creatieve proces moet immers door iets of iemand in gang gezet worden. Die aandrift voor dat proces is volgens Polet vaak een neurose. In zijn studie beschrijft hij dan ook de meest uiteenlopende psychische aandoeningen van bekende en minder bekende kunstenaars. Voor de biograaf is het boek om die reden alleen al de moeite van het lezen waard.
Maar wat vindt Polet als schrijver en als onderzoeker van het creatieve brein nu eigenlijk van de biografie? Wat voegt zij toe aan het bestuderen van het kunstenaarschap en hoe is het om misschien zelf ooit gebiografeerd te worden? Deze vragen worden in zijn studie niet expliciet beantwoord. De redactie legde ze Polet alsnog voor.

Het beschreven leven
Als schrijver sta ik tegenover de biografie in een heel dubbelzinnige verhouding. Heel lang heb ik gevonden dat autobiografische gegevens er niet toe doen, alleen het literaire werk telde, op zich, en eigenlijk vind ik dit nog. Iedere schrijver bezit een natuurlijk wantrouwen tegenover de biografie en bio-graaf; liever is hem een autobiografie die hij zelf in de hand heeft, iets tussen faction en fiction in dus.
Ik las na de eerste jaren van literair ontwaken dan ook nooit (auto-) biografieŽn, was er niet in geÔnteresseerd. Pas toen ik een speurtocht ondernam naar de bronnen en de psychodynamiek achter het schrijven en kunst in het algemeen raakte ik opnieuw geÔnteresseerd, omdat autobiografie en biografie belangrijk materiaal verschaffen. Ik zeg opnieuw, omdat ik tijdens mijn onderduiktijd aan het einde van Wereldoorlog II en kort erna juist diep onder de indruk raakte van enkele autobiografieŽn, waaronder met name De bekentenissen van Rousseau, dat mijn levenslange interesse in psychologie en psychoanalyse heeft meebepaald.
Die interesse kwam mij bij de studie van het creatieve denken dus goed van pas en ze heeft veel bruikbaar overtuigingsmateriaal opgeleverd voor De creatieve factor. Zonder dat was het boek een stuk spekulatiever en magerder geweest. Wie dus baat heeft bij zulke boeken is de schrijver over schrijvers en niet minder de lezers die nu eenmaal van psychische pottenkijkerij houden.
Daarnaast valt niet te ontkennen dat vooral psychoanalytische ingestelde (auto-)biografieŽn veel waardevolle inlichtingen verschaffen over de achtergrond van een oeuvre, waarbij het er nauwelijks toe doet of een deel van de gegevens gelogen is of niet, zoals bij Goethe, Rilke, Faulkner en vele anderen. De moeilijkheid is dat je bij het (her-)lezen van het werk de nieuw verkregen feiten weer moet vergeten, wat niet altijd lukt, vooral niet als ze ontluisterend zijn. (Joyce, Mann, Achterberg en noem maar op.) Reden waarom schrijvers zelfs met goede biografen maar matig gelukkig zijn, zo niet doodsangst uitstaan. (Beckett, Salinger, etc.)
Evenmin te ontkennen valt - mijn studie heeft het omstandig onthuld - dat schrijvers en andere kunstenaars in grote meerderheid kwetsbare en vaak onuitstaanbare narcisten zijn, al heeft Jung er een meer vergoelijkende verklaring voor gegeven. Goede biografen, als Bernard C.Meyer in zijn meesterlijke boek over Conrad, bieden een diep borend inzicht in de 'ziel' van de schrijver, zoals idiosyncrasieŽn in het algemeen vaak een treffend beeld van de mens in het algemeen opleveren. Ook is een waarschuwende analyse als tegenwicht tegen een te slaafse bewondering van een auteur niet ongewenst, bij voorbeeld wanneer sommige van diens opvattingen beter gerelativeerd kunnen worden; om twee gevallen te noemen:
de niet te ontkennen godsdienstwaanzin bij Kierkegaard (zie mijn voorwoord bij de Dagboek-uitgave in Privť-domein) en de valse psychologika in het werk van Hamsun.
En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Overigens is een goede (auto-) biograaf zich daar wel degelijk van bewust. Niettemin blijf ik wantrouwig staan tegenover het genre, Ťn als schrijver, Ťn als literatuurlezer, temeer wanneer het biografische de verbeelding in de weg staat en een werk soms minder interessant dan interessanter maakt.
Maar dan weer: ik blijf de biografieŽn van sommige mensen lezen, vooral van filosofen, omdat ik nieuwsgierig ben hoe zij hun leven vorm hebben gegeven en met hun psychische conflicten en trauma's hebben leren omgaan. In die zin zijn ze zelfs leerzaam.
0 ja, en dan nog iets: ik zou het ironisch genoeg bijna vergeten hebben: ik heb zelf een autobiografie in vijf delen geschreven:
Een geschreven leven en sinds enkele jaren ben ik bij.
Aanleiding: jaren geleden de opdracht van mijn uitgever om een autobiografische schets te schrijven bij een zakboekuitgave van De steen. ik begon er met tegenzin aan, maar toen ik het stukje zelfanalyse af had,
vond ik: dat is toch minder oninteressant dan ik dacht, ik kan er best eens 'tussen de bedrijven' door mee verdergaan. De echte 'bedrijven' waren natuurlijk het bedrijven van literatuur.
Waarom deed ik dat toen? Na een redelijk aantal objectieve of pseudo-objectieve werken had ik misschien toch behoefte aan een wat persoonlijker bedrijvigheid als 'begeleidingsverschijnsel' van die boeken en dichtbundels, een emotioneler bovenal; daarnaast de behoefte om mijn leven -vol-tegenstrijdigheden wat meer vorm te geven, mijn reactie te analyseren en de achtergrond van mijn terugkerende depressiviteit te achterhalen. Plus ook het bekende kunstenaarsnarcisme, dat ik bij mij niet overdreven groot achtte? de wens om ook in een wat persoonlijker vorm voort te bestaan? Misschien dit allemaal en nog wat.
En zo, tussen de bedrijven en schrikkeljaren door, groeide mijn Een geschreven leven uit tot vijf delen, waarin natuurlijk ook persoonlijk getinte fragmenten en gedichten uit mijn literatuur ingebed werden, want die maakten deel uit van dit leven. In enkele dalperioden heeft het schrijven eraan mij psychisch zelfs op de been gehouden. Waarover in Een geschreven leven later meer.
Ik ben mij toen duidelijk bewust geworden van het gevaar van regelmatig schrijven aan autobio en dagboeken: de verslaving en het tijdrovende, vooral van het bijhouden van een dagboek. ik zelf had er de energie niet voor, maar dan nog, het tijdverlies en het narcistisch afhankelijk makende ervan; Valťry was ziek als hij een dag niet aan zijn notities gewerkt had en Pascal: Wat heeft reizen voor mij voor zin als ik er niet over kan schrijven. (Ik heb altijd veel gereisd en iets van de zuigkracht om erover te moeten schrijven heb ik ook ervaren en af kunnen wenden.)
En toch zijn ook dankzij dit dwangmatige enkele van de grootste en interessantste werken uit de wereldliteratuur voortgekomen: de dagboeken van Kierkegaard, Pessoa, Kafka, de notities van Nietzsche, Valťry. Ik wil besluiten met een paar opmerkelijke leesreacties naar aanleiding van mijn eigen Geschreven Leven en het herlezen ervan.
Bij het schrijven eraan had ik doorgaans het afstandelijke gevoel dat ik literatuur schreef. Bij het herlezen en bewerken jaren later had ik het gevoel dat het weliswaar over 'een ander' ging, maar een aan wie ik langzaam begon te wennen. (Bovendien wist ik zeker dat ik hetzelfde materiaal, als het verloren ging, nooit meer allemaal naar boven zou kunnen brengen.)
En tenslotte weer jaren later, wist ik dat ik het was die dit geschreven had en was ik meer dan ooit met mijzelf samengevallen, zozeer was ik herlezend aan mijn geschreven leven gewend, terwijl ik er toch niets bijgefantaseerd had. Mijn pseudoniem was voorgoed mijn echte naam - dit was het al vijftig jaar lang-, mijn geboortenaam mijn burgerlijke schuilnaam. En beide leven, reizen, lezen, schrijven en herschrijven, werkend aan dezelfde dubbel-opgave: leven en schrijven. Niet 'Vivre ou raconter' (Sartre), maar 'Vivre et raconter'.

print deze pagina print deze pagina